Ze wijdde nog geen 60 bladzijde aan de geboorteplaats van de persoon die zij een uitzonderlijk leven toeschreef. Marita Mathijsen noemt haar boek een 'emobiografie' - de uitleg die ze hierbij geeft is dat ze niet alleen naar de levensloop, maar ook naar het gevoelsleven van Betje Wolff nieuwsgierig was. Zo bezien is de emobiografie dus ook een weerslag van de eigen gevoelens die de schrijfster ervaart bij het onderzoeken van het rijke innerlijke leven van Betje Wolff. (1738 – 1804)