Pagina's

16-04-2026

dagboeken van Etty Hillesum

Esther (Etty) Hillesum wordt op 15 januari 1914 in het ouderlijk huis aan Molenwater 77 te Middelburg geboren. Ze schreef dagboeken waardoor we meer over oorlog kunnen begrijpen - Maar wie was Etty Hillesum nou eigenlijk? 

Het is Judith Koelemeijer die de biografie van Etty Hillesum heeft geschreven, een aanrader voor als je over het leven van Etty iets wil lezen. Het is bijzonder dat juist Judith ontdekt dat Etty de droom had om na de oorlog als kroniekschrijfster vast te leggen wat zij had meegemaakt. In haar dagboeken en brieven probeerde zij zo nauwkeurig mogelijk weer te geven wat zij voor zich zag gebeuren en daarbij dateerde ze haar aantekeningen nauwkeurig. 


Etty Hillesum 1914 – 1943





De dagboeken van Etty Hillesum (Middelburg 1914-Auschwitz 1943) zijn sinds de eerste, nog onvolledige publicatie in 1981 in vele talen vertaald en hebben wereldwijd de aandacht getrokken. Zij geven inzicht in de innerlijke veranderingen die deze Joodse vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog doormaakte. Het contrast tussen haar groeiende spiritualiteit en de voor de Joden steeds bedreigender wordende situatie is daarbij zeer opvallend. De dagboeken laten zien hoe Etty Hillesum zich – door haar relatie met de psychochiroloog Julius Spier en door het existentieel lezen van vele boeken in korte tijd – van een onzekere jonge vrouw tot een volwassen persoonlijkheid ontplooide met een eigen levensvisie en een intieme omgang met God. Zij leerde zichzelf en het lot van haar volk aanvaarden, maar zonder enige resignatie. Voor alles moest worden voorkomen dat men de barbaarse mentaliteit van de bezetter zou gaan overnemen. Haar dagboek is daardoor een monument geworden van onstuitbare spiritualiteit en van geestelijk verzet tegen vervolging en haat.


In haar dagboeken is Etty Hillesum altijd zeer zorgvuldig als het gaat om het dateren van haar aantekeningen. Niet alleen de dag, soms wordt zelfs het uur aangegeven. Wanneer zij op een dag verschillende keren in haar dagboek schrijft, vermeldt zij hoe laat zij is verder gegaan met haar schrijfarbeid. Eén keer echter geeft zij haar dagboekaantekening een titel: op zondagmorgen 12 juli 1942 kiest zij in plaats van de datum voor de unieke aanduiding ‘Zondagochtendgebed’.

Het behoeft geen verbazing te wekken dat de dagboekaantekening die op deze kop volgt, de aandacht heeft getrokken van theologen en andere lezers die geïnteresseerd zijn in Hillesums spiritualiteit. Een gebed en dan nog wel op zondagochtend, het tijdstip waarop op 12 juli 1942 honderdduizenden gelovigen in de kerken van Nederland samenkwamen midden in oorlogstijd, moet wel van bijzondere betekenis zijn. Deze lezers werden niet teleurgesteld, want in één lange alinea stelt Etty Hillesum de vraag aan de orde, die na de oorlog tot het ontstaan van een nieuwe tak binnen de godgeleerdheid zou leiden: de theologie na Auschwitz, de vraag wat de rol van God was tijdens de vervolging van het Joodse volk door de nazi’s. En zij geeft hierop een antwoord, terwijl die vervolging in volle gang was en de overweldigende omvang ervan nog onbekend – in tegenstelling tot latere theologen die veilig achter hun bureau op de hemeltergende gebeurtenissen konden terugblikken.

Dankzij de vertalingen die na de eerste publicatie van de bloemlezing ‘Het Verstoorde Leven’ in 1981 verschenen, werd het lezerspubliek van Hillesums dagboeken internationaal en raakte ook de tekst van het Zondagochtendgebed wereldwijd bekend. Verschillende auteurs kozen ervoor gedeelten uit de tekst te citeren en van commentaar te voorzien – zij achtten dit gebed van een 28-jarige geassimileerde Joodse vrouw zonder theologische of filosofische achtergrond belangrijk genoeg om er hun eigen beschouwingen aan vast te knopen. Omdat onder deze auteurs bekende namen te vinden zijn, is het zeker de moeite waard de receptie van Hillesums Zondagochtendgebed aan een nader onderzoek te onderwerpen – de opzet van deze bijdrage.

Wanneer wij beginnen met allereerst de tekst te citeren, doet zich het probleem voor dat het niet duidelijk is waar het gebed precies eindigt. Men mist een Amen! Nu komt de term ‘Amen’ noch in Hillesums dagboeken, noch in haar brieven voor – ook niet in de toen onder Joden gangbare vorm ‘Omein’. Hoe de tekst dan af te bakenen? Een oplossing zou zijn om het gehele gedeelte dat op zondagochtend 12 juli 1942 is geschreven als gebed te zien, waarbij Etty Hillesum zich dan soms heeft laten afleiden, zoals dit nu eenmaal bij bidden gaat. Het is daarentegen duidelijk dat de kern van het gebed in de eerste alinea te vinden is. Dit is ook het gedeelte van de dagboekaantekening dat men meestal citeert.


Zondagochtendgebed
Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen om de toekomst niet als evenzovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor in staan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook er aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, inplaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: Mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou. Ik zal in de naaste toekomst nog heel veel gesprekken met je houden en je op die manier verhinderen van me weg te vluchten. Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein.

Uit deze tekst heeft vooral de volgende zin de aandacht getrokken en reacties uitgelokt: ‘Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf.’


Genoemd citaat treffen wij bijvoorbeeld aan bij de Duitse socioloog Ulrich Beck (1944-2015). Etty Hillesum vertolkt een visie op God, die hem bijzonder heeft aangesproken. Zozeer zelfs dat hij het eerste hoofdstuk van zijn boek Der eigene Gott: Von der Friedensfähigkeit und dem Gewaltpotential der Religionen uit 2008 geheel aan haar wijdt met als titel ‘Das Tagebuch des “eigenen Gottes”: Etty Hillesum, eine unsoziologische Einleitung’.

Een belangrijk element in Hillesums geheel eigen visie op God is volgens Beck Zijn hulpeloosheid. Hij is niet de almachtige God van de traditie; Hij is ‘ohnmächtig und heimatlos’. Waarom Beck meent dat God volgens Etty Hillesum ‘heimatlos’ zou zijn, ontgaat mij – zij is er juist van overtuigd dat God in het binnenste van ieder mens Zijn woning heeft opgeslagen. Ook in het zondagochtendgebed vinden wij deze opvatting terug; zij schrijft: ‘de woning in ons, waar jij huist’. Volgens Hillesum is het niet zo dat ieder mens – met de woorden van Willem Kloos – ‘een God in ’t diepst van [zijn] gedachten’ is, maar wel dat iedereen een god in zijn of haar binnenste heeft wonen. Gods Heimat wordt zo door de mensheid als geheel gevormd. ‘Heimatslos’ is Hij dus zeker niet.

Becks stelling dat God ‘ohnmächtig’ zou zijn, biedt meer perspectief; zij weerspiegelt namelijk een algemeen gevoelen bij lezers van Hillesums geschriften. Volgens deze wijd verbreide interpretatie van het Zondagochtendgebed kan God de mensen niet helpen. Hij is daartoe niet in staat. Hij is machteloos – Beck zegt: ‘ohnmächtig’. Dit klinkt heel anders dan de formulering ‘God de almachtige Vader’, zoals wij die in de Apostolische geloofsbelijdenis vinden. Het idee van Gods hulpeloosheid spreekt moderne lezers aan. De vraag waarom Hij niet ingreep, toen Zijn volk tijdens de Sjoa werd uitgeroeid, kan zo op een eenvoudige wijze worden beantwoord: God was hiertoe niet in staat. Hij stond volkomen machteloos tegenover het kwaad van het nationaalsocialisme.

Maar klopt deze lezing van Hillesums tekst wel? 

Het valt op dat in het Zondagochtendgebed het woord ‘machteloos’ niet voorkomt. In haar dagboeken gebruikt Etty Hillesum zowel het woord ‘machteloos’ als het abstractum ‘machteloosheid’ altijd in verband met zichzelf, nooit in verband met God. Machteloosheid is in die passages steeds een negatief geladen begrip, terwijl in het Zondagmorgengebed zeker niet negatief over God wordt gesproken. Waar komt Becks idee dat God volgens Etty Hillesum ‘ohnmächtig’ zou zijn, dan vandaan?

In dezelfde tijd als Etty Hillesum en evenzeer slachtoffer van de nationaalsocialistische vernietigingsdrang, ook al was hij geen Jood, reflecteerde de protestantse theoloog Dietrich Bonhoeffer eveneens op de ‘bange tijden’ van de Tweede Wereldoorlog en op de vraag wat de rol van God was in dit ‘schicksalhafte’ gebeuren.

Zijn conclusie was:
Gott läßt sich aus der Welt heraus drängen ans Kreuz, Gott ist ohnmächtig und schwach in der Welt und gerade und nur so ist er bei uns und hilft uns.

Bonhoeffer gebruikt hier het woord ‘ohnmächtig’, dat Beck aan Hillesum toeschreef. Becks lezing van het Zondagochtendgebed lijkt dus een vermenging van wat Etty Hillesum heeft geschreven, met wat Dietrich Bonhoeffer naar voren heeft gebracht. 

Meins Coetsier heeft in zijn uitvoerige en goed gedocumenteerde studie The Existential Philosophy of Etty Hillesum: An Analysis of her Diaries and Letters een diepgaande vergelijking gemaakt tussen Etty Hillesum en Dietrich Bonhoeffer, en ook op de verschillen tussen beiden gewezen. Uit zijn analyse wordt duidelijk dat wij Bonhoeffer niet zomaar mogen gebruiken als sleutel om Hillesums woorden te interpreteren.

Een andere bekende denker die door Hillesums Zondagochtendgebed werd geraakt, was Hans Jonas (1903-1993). In 1987 publiceerde hij een lezing, die hij eerder in het Duits had gehouden, onder de titel ‘The Concept of God after Auschwitz: A Jewish Voice’.

 Hierin merkt hij op:

The idea that it is we who can help God rather than God helping us I have since found movingly expressed by one of the Auschwitz victims themselves, a young Dutch Jewess, who validated it by acting on it unto death.

In een later artikel ‘Matter, Mind, and Creation’ komt Jonas terug op Etty Hillesum in een afzonderlijke paragraaf, getiteld ‘That We Must Help God: The Testimony of Etty Hillesum’. 

Hij schrijft daar:

By the events of Auschwitz and from the rather safe harbor of not having been there, wherefrom one can easily speculate, I was impelled to the view, which every doctrine of faith would probably find heretical, that it is not God who can help us, but we who must help God. This view became more valid with the confession of an actual witness, sealed with her own life, of whom I learned much later. These words of a confessor are found in the preserved diaries of Etty Hillesum (…).

Voor Jonas zijn de geciteerde woorden uit het Zondagochtendgebed dus van een bijzondere betekenis, omdat Etty Hillesum die niet opschreef in de comfortabele positie van iemand die zelf niet bij de Sjoa betrokken was, maar als een ‘confessor’, belijder, die door haar dood in Auschwitz deze woorden bezegelde. Jonas’ eigen visie op een God die niet almachtig is, werd volgens hem bevestigd door wat Etty Hillesum reeds tijdens de Sjoa had geschreven. 

Maar heeft ook Jonas in de woorden van Etty Hillesum niet te veel zijn eigen gedachten willen lezen?

Aanvankelijk deelde ik de visie van Beck en Jonas: Etty Hillesum geloofde niet in de almacht van God, maar meende dat God juist de hulp van ons mensen nodig heeft. In zoverre zou je over de hulpeloosheid of de onmacht van God kunnen spreken in de zin dat God de mensen niet kan helpen, maar dat de mensen God moeten helpen. 

Later bevredigde mij deze interpretatie echter niet meer: de zin ‘Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf’ dient te worden gelezen vanuit zijn context en mag niet worden verabsoluteerd, zoals Beck en Jonas hebben gedaan. Op andere plaatsen in de dagboeken spreekt Etty Hillesum juist haar vertrouwen uit dat God haar zal leiden en daarbij zal steunen om haar angst voor de toekomst te overwinnen, zoals in deze passage:

Ik ben graag in de warmte en in de veiligheid, maar zal ook niet opstandig worden als ik de kou inga, als het dan maar aan Uw hand is. Ik zal overal meegaan aan Uw hand en zal proberen niet bang te zijn.

Hier is het God die de mens steunt en niet omgekeerd. 

Het ziet er daarom uit dat de Amerikaanse Holocaust-kenner Rachel Feldhay Brenner Etty Hillesum beter heeft verstaan dan Beck en Jonas, wanneer zij schrijft:

Because history had reached an apocalyptic point of no return, the God of Revelation could no longer fulfill his traditional providential role. In the reality of the Holocaust, the commanding God of history seemed to have absented himself from the history of the Holocaust. The God that both Frank and Hillesum invoke and pray to is not a God revealing himself as powerful, authoritarian God, but rather a God of loving attention and consolation. It is a God who does not rescue the lives of the victims, but one who sustains the sufferers in their struggle to maintain, as long as possible, a life of dignity and self-respect. 

Brenners omschrijving van Gods steun aan de slachtoffers van de Sjoa, die er niet uit bestaat dat Hij hun leven als een Deus ex machina redt, maar wel dat Hij hen steunt om zichzelf trouw te blijven, laat zich veel beter verenigen met wat Etty Hillesum verderop schrijft in het Zondagochtendgebed: ‘En ze zeggen: Mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is.’ Ook de Joden die in klauwen van de nazi’s zijn gevallen, blijven in Gods armen geborgen.

Belangrijk om de zaak nog scherper in beeld te krijgen is een andere zin in het Zondagochtendgebed: ‘Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven.’ Hier wordt een tegenstelling aangebracht tussen ‘de omstandigheden’ en het leven enerzijds en God anderzijds. Deze tweedeling wordt nog duidelijker in de daarop volgende zin: ‘Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen.’ God is niet verantwoordelijk voor wat mensen elkaar aandoen, zoals zij ook in een andere dagboekaantekening schrijft: ‘En God is ons ook geen verantwoording schuldig voor de zinneloosheden, die wijzelf aanrichten, wij zijn verantwoording schuldig.’

Niet God, maar de mensen zijn verantwoordelijk voor wat er in de wereld gebeurt, en daarom moeten zij zichzelf helpen in plaats van God verantwoordelijk te stellen voor wat zij zelf aanrichten. God is geen bedrijvige moeder die de rommel van haar kinderen opruimt – dat zullen Zijn evenbeelden zelf moeten doen.

Terwijl anderen God verantwoordelijk achten voor de oorlogsmisdaden die mensen plegen, weet Etty Hillesum de zaak duidelijk af te bakenen: mensen zijn verantwoordelijk voor wat mensen doen. God staat daarbuiten. 

De vraag is dus niet: waar was God in Auschwitz? De vraag is: waar was de mens? 

In een variatie op Gods vraag aan Adam in Genesis 3:9: ‘Waar zijt gij?’ en Gods vraag aan Kaïn in Genesis 4:9: ‘Waar is Abel, uw broeder?’ moeten wij ons de vraag stellen waarom mensen tijdens de Sjoa deze onvergelijkelijke misdaden hebben begaan, maar tegelijk ook waarom andere mensen, de omstanders, hen lieten begaan. 

In plaats van zich te bekommeren om ‘stofzuigers (…) en zilveren vorken en lepels’ en het tegelijkertijd aan God over te laten om redding te brengen moet men zich concentreren op de God in zichzelf en in andere mensen. Die inpandige God moet worden gered – daar komt het volgens Etty Hillesum op aan. Bij zichzelf en – indien mogelijk – ook bij de ander. Deze opdracht om ‘de woning in ons, waar jij huist tot het laatste toe [te] verdedigen’ wil niet zeggen dat zij God als ‘ohnmächtig’ ziet, zoals Beck en Jonas meenden, maar moet eerder worden geplaatst in het kader van de Joodse visie op God, waarbij de mensen partner zijn om de Schepping te herstellen: het idee van tikkoen olam (‘herstel van de wereld’). Daarmee heeft Etty Hillesum haar lezers voor een uitdaging geplaatst: waar ligt onze bekommernis? Bij ‘stofzuigers (…) en zilveren vorken en lepels’ of bij het verdedigen van de woning waarin God huist?






Over het zondagochtendgebed kun je hier meer lezen: 

https://www.aup-online.com/content/journals/10.5117/NTT2019.1.003.SMEL?crawler=true

De dagboeken en brieven van de Nederlands-Joodse auteur Etty Hillesum, geschreven in de periode 1941-1943, hebben wereldwijd bekendheid gekregen. Haar werk is in een twintigtal talen vertaald en er zijn vele studies en internationale congressen aan haar gewijd. 

Klaas A.D. Smelik heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld en geldt als de deskundige bij uitstek als het gaat om Etty Hillesum. Klaas A.D. Smelik is nauw verbonden met de dagboeken en ook directeur van het Etty Hillesum Onderzoekscentrum te Middelburg. Inmiddels is dit door Lotte Bergen overgenomen. Ook zij publiceert veel Etty Hillesum Cahiers en heeft ook het boek geschreven: Het verweer van Etty Hillesum tegen het nazisme. 


NB
Er zijn verschillende docu's te vinden over Etty: het denkende hart bij de boeddhistische omroep en komende dagen een docu die Judith Koelemeijer al in Italië liet zien ook bij ons op TV. 


Geen opmerkingen: