23-09-2018

Het geheim van een archetype

Sprookjes spreken tot onze verbeelding, je ziet het niet buiten je maar binnen in je. Het zijn oerbeelden en archetypen. In de omgangstaal bedoelt men met archetype vaak een concreet oerbeeld.
Met het begrip archetype sloot Jung aan bij ideeën van Plato (427 - 347 v. Chr.) en zette de oude platonische traditie van denken voort. Voor Plato was het ‘idee’ een geestelijk voorbeeld, dat vooraf aan het zichtbare bestaat en er boven staat. Rudolf Steiner bouwt hierop verder met het tot leven wekken van sprookjes-inhouden.  Zij komen niet alleen in mythen en andere universele verhalen zoals sprookjes tot uitdrukking, maar ook in dromen.

Ook in sprookjes is het getal drie in vele gedaanten en gestalten van de onder-midden- en bovenwereld te herkennen - Jet Nijhuis vertelt - zodra onze uiterlijke zintuigen tot zwijgen komen, komt de ziel opnieuw tot leven.....


Sneeuwwit en Rozerood 

‘s Winters stak Sneeuwwit het vuur aan en hing de ketel aan de pothaak. Die ketel was van koper maar hij blonk als goud, zo mooi was hij geschuurd. Als buiten de sneeuwvlokken vielen zei moeder: 'Sneeuwwit, schuif de grendel voor de deur.' Dan gingen ze bij de haard zitten en moeder las voor uit een groot boek. De twee meisjes luisterden, naast hen lag een lam op de grond en achter hen zat een wit duifje op een stok met zijn kopje onder zijn vleugels.

Je ziet het voor je, de twee meisjes met hun moeder bij het vuur. Je ziet hoe het vuur brandt, hoe de ketel glimt, hoe aandachtig de kinderen luisteren. Je ziet het niet buiten je, maar binnen in je. Het beeld daar vanbinnen is voor iedereen anders. Dat is karakteristiek voor het innerlijk beeld, iedereen maakt zijn eigen plaatje. Het maken van een innerlijk beeld is een eigen innerlijke activiteit. Ons Ik gaat aan het werk. De een zal een lichte kamer maken, de ander ziet alleen het schaduwbeeld van de vlammen. Bij de een is het beeld gedetailleerd en scherp, bij de ander is er een beeld met veel kleurvlakken en vage contouren. Zelfs de kleuren verschillen van persoon tot persoon.

Opbouw van de ziel





In de eerste klas worden sprookjes verteld. Bekende sprookjes, zoals ‘Doornroosje’ en ‘Roodkapje’ en minder bekende zoals ‘De drie talen’ en ‘Het gouden slot op de berg’. En ook het sprookje van Sneeuwwit en Rozerood. Het kind luistert naar het sprookje en vergeet de werkelijkheid om zich heen. De kamer, het klaslokaal bestaat niet meer en hij gaat mee naar het hutje, om bij het vuur te zitten. Hij poetst de ketel en hangt deze aan de haak boven zijn vuur. De ketel met het water, het stromende leven. Het lammetje gaat aan zijn voeten liggen en het duifje zet het kind zelf op de stok. Door het vormen van beelden bouwt het kind aan zijn eigen innerlijke ruimte. Deze ruimte lijkt op de binnenkant van het rietgedekte hutje van Sneeuwwit en Rozerood. Er brandt een warm vuur, het vuur van het enthousiasme. De deur kan je op slot doen, zodat niet iedereen zomaar binnen kan stormen. Als het buiten koud is, kun je daarbinnen luisteren naar de verhalen van je eigen natuurlijke wijsheid, van je moeder. Hoort het kind andere sprookjes, dan laat hij koningen, koninginnen, prinsen en prinsessen in zijn innerlijke wereld binnen. Zijn ziel lijkt dan op een sterk kasteel waar waardigheid en kracht heersen.

Sneeuwwit en Rozerood 




‘s Winters stak Sneeuwwit het vuur aan en hing de ketel aan de pothaak. Die ketel was van koper maar hij blonk als goud, zo mooi was hij geschuurd. Als buiten de sneeuwvlokken vielen zei moeder: 'Sneeuwwit, schuif de grendel voor de deur.' Dan gingen ze bij de haard zitten en moeder las voor uit een groot boek. De twee meisjes luisterden, naast hen lag een lam op de grond en achter hen zat een wit duifje op een stok met zijn kopje onder zijn vleugels.

Innerlijk en uiterlijk beeld 

Het sprookje ‘Sneeuwwit en Rozerood’ gaat over binnen en buiten, over onze binnenwereld en de wereld om ons heen. Het is een beeld dat voor alle mensen geldt, door alle tijden heen. Het is een oerbeeld: zo zitten wij als mensen in elkaar. Rijk wordt een kinderziel waar de oerbeelden leven. Want deze herbergen onze idealen, onze diepste doelen. Op de vrije-school krijgen de kinderen vele verhalen met talloze beelden En de ziel is als een huis, een kasteel, een vredig hutje, gebouwd van de substantie waar alle innerlijke beelden uit bestaan: van lichtende zielenkracht. Wordt het kind volwassen, dan kan hij zich de beelden ook herinneren en de glans van hun schoonheid geeft hoop, geloof en liefde.

Hoe anders werkt het uiterlijke beeld. Als je een tekening of een film van dit sprookje ziet, zie je het beeld van de tekenaar. Het is jouw beeld niet en een licht gevoel van teleurstelling bekruipt je. Wie kent het niet: eerst het boek lezen en dan de film zien. Jammer, het uiterlijke beeld blijft hangen. We zijn onze eigen plaatjes kwijt. De beelden van tv en film doen meedogenloos hun werk: onze innerlijke activiteit ligt stil. Ons Ik hoeft niets te doen. Geeft het gevoel van teleurstelling niet aan, dat we erop uit zijn om zelf actief te willen zijn? Dat we onze fantasie levend willen houden? Dat we onze idealen willen beleven?

Gevoelsleven 

Als een kind naar een verhaal luistert, identificeert hij zich onmiddellijk en automatisch met een persoon, meestal met de hoofdpersoon. Hij is eventjes Sneeuwwit. Hij kruipt in haar huid en voelt zich veilig en geborgen. Of hij voelt zich wijs en sterk als moeder die voorleest uit haar boek. Met wie het kind zich ook vereenzelvigt, zijn gevoel doet meteen mee. Hierdoor worden zijn eigen gevoelens sterk en komen er nieuwe bij. Het gevoelsleven groeit. Het gevoel van vrede en veiligheid, van angst en onmacht, van waarheid als alles goed komt. Het verhaal is dan ook een grote hulp bij de opvoeding.

Vooral in de periode van zeven tot veertien jaar, waarin een kind zijn innerlijk opbouwt, waarin hij in beelden denkt en waarin zijn gevoel het kompas is voor zijn doen en laten, zijn verhalen noodzakelijk zielevoedsel. De beeldhonger is op deze leeftijd groot. Het kind verlangt naar beelden, het verlangt naar innerlijke belevenissen. Het wil groeien. Als de kinderen van mijn klas onrustig of vervelend waren en ik riep: ‘Kinderen opruimen, jullie krijgen een verhaal’, dan was in een mum van tijd de boel aan kant en zaten ze klaar om te vertrekken naar het land waar alles kan. En tijdens het verhaal zag ik de oogjes wazig worden, de monden ontspannen openvallen. Geen uiterlijke beweging meer, maar een innerlijke activiteit. Allemaal vertrokken naar hun eigen binnenwereld om daar vol energie het verhaal neer te zetten en mee te beleven. Allemaal? Nee, soms bleef er eentje maar op zijn stoel draaien en aan zijn veters peuteren. Wat is er, kleine man? Ben je bang om de omgeving los te laten? Want stel je voor dat er iets gebeurt en je bent er niet bij. Of zijn de beelden zo sterk en je gevoel zo heftig dat je bang bent overspoeld te raken? Stel je voor dat je gaat huilen van verdriet als Klein Duimpje de weg niet meer weet. En alle kinderen kijken naar je en lachen je misschien wel uit. Nee, dan maar liever uit het raam kijken en met je potlood op de tafel tikken.

Scheiding tussen binnen en buiten 

“Juf is het echt?”, vraagt een zesjarig kind. “Ja, het is een echt verhaal. Je kunt het niet van buiten zien, maar van binnen.” Het is de vraag van een kind dat nog geen onderscheid voelt tussen zijn innerlijke wereld en de tastbare werkelijkheid, tussen binnen en buiten. En het antwoord is van een volwassene die de waarheid van het beeld voelt en daarom met overtuiging vertelt. “Oma”, zei een vijfjarig kleinkind in de kersttijd,”je moet niet over de weg gaan lopen, hoor, want de soldaten van koning Herodes zijn er nog. Als Maria, Jozef en het kind veilig in Egypte zijn, dan kun je weer bij ons komen. Juffie gaat het nog vertellen, maar ik weet het al.” “Mam, de wolf van Roodkapje zit onder mijn bed. Ik ben bang”. “Bestaat Sinterklaas?” De volwassene die in Sinterklaas het oerbeeld, het wezen van de hemelse schenkende goedheid beleeft, kan met waarheid deze vraag bevestigend beantwoorden. Als het kind de schoenen van oom Kees onder het kleed van Sinterklaas uit ziet komen, kun je vertellen dat oom Kees Sinterklaas mag spelen. “Jij mag dat ook, want de echte Sinterklaas in de hemel wil dat we allemaal op hem gaan lijken. Jij mag nu ook cadeautjes gaan maken, rijmpjes en surprises. Dan leer je al een beetje hoe het is om Sint te zijn.” Het ware beeld ver-beeldt. En het kind voelt de waarheid.

Alles is eenheid 

Waarom vertellen we nu juist sprookjes in de eerste klas? Omdat het kind van zes, zeven zijn basisgevoel terugvindt in het sprookje. De eersteklasser voelt dat alles bij elkaar hoort. Dat alles een eenheid is. Dat er geen scheiding is tussen binnen en buiten, tussen toen en nu, tussen hier en daar. Dat er geen scheiding is tussen de dingen en de mensen. Tafels kunnen praten en een pop kan huilen. Het kind speelt met denkbeeldige vriendjes en ziet op de hei de rode puntmutsen van de kabouters. Het kind leeft in een magische wereld. Een wereld waarin heksen, elfen, regenruiters, God vader en de engelen net zoveel plaats hebben als pappa, mamma, de buurman en de bakker. Het kind herkent dan ook meteen de jonge graaf die de taal van de honden kent in het sprookje ‘De drie talen’ en vindt het heel vanzelfsprekend dat Duimedik op de rand van een hoed zit. En deze herkenning geeft vertrouwen, kracht en blijdschap. Het kind identificeert zich met prinsen die moeilijke opdrachten te doen krijgen om hun doel te bereiken: trouwen met de prinses. Het wéét niet dat het verhaal waarnaar hij luistert, spreekt over de groei van de ziel of over de levensopdracht in ieders bestaan.




Maar het kind beleeft het mee. Hij schrikt als er een beer in het hutje van Sneeuwwit en Rozerood komt. Hij wordt bang. Weg zijn vrede en veiligheid. Samen met Sneeuwwit ziet hij ook het goud dat door een scheur in de vacht van de beer schemert. Dat geeft al een beetje hoop. Maar de angst neemt toe als het kind hoort over de grote macht van de valse kabouter. Hij schrikt weer als medelijden wordt afgestraft met ondankbaarheid en wreedheid. Wat een onrecht. Opgelucht haalt hij adem als de beer verschijnt en met zijn sterke poten het kwaadaardige schepseltje vermorzelt. Ja, zo klopt het weer: het goede overwint. Natuurlijk is de beer een prins en trouwt Sneeuwwit met hem. De eenheid is hersteld. Het is allemaal goed gekomen.

De werking van het ware beeld 

Van dit beeldmateriaal is zijn binnenwereld gebouwd. Hiermee begint het kind aan zijn leven, waarin vrede en veiligheid vaak worden verstoord. Waarin de angst soms een grote plaats in kan nemen. Angst voor situaties, voor personen, voor de toekomst. Geen vertrouwen meer dat het ooit nog goed zal komen. Baan weg, huwelijk kapot, ziekte. Onmacht. Op dat moment komt de kracht van het beeld naar boven dat het kind in deze volwassene als zielskracht heeft opgenomen in zijn binnenste. Dan komt de hoop. De hoop dat er onder de ondoorzichtige vacht goud schijnt te zijn. Is het de situatie die toch uitzicht heeft of ben ik zelf de beer? Ben ik dan betoverd, ben ik eigenlijk een sterke prins? Het geloof in zichzelf geeft kracht om door te gaan. Hij vindt zijn basis, zijn mogelijkheden in zichzelf en leert te doen wat hij diep van binnen voelt. Uit liefde voor zijn eigen ziel, voor zijn eigen waarheid, voor zijn eigen ideaal. Zo werken de sprookjesbeelden. De oerbeelden die vertellen over dood en opstanding, over zware opdrachten en die hulp op het levenspad geven als de boompjes in het sprookje elk jaar weer hun bloemen. Geloof, hoop en liefde.

De oude moeder leefde nog lange jaren rustig en gelukkig bij haar kinderen. De twee rozenboompjes nam ze mee. Die stonden voor haar raam en droegen elk jaar de schoonste rozen, witte en rode. 


TEKST: JET NIJHUIS
Bron: De Seizoener herfst 2007

Meer lezen? Grimm, Sprookjes voor kind en gezin • R. Steiner, De beeldentaal van de
sprookjes • A. Wouters-van Weerden, De man in alle kleuren • Rudolf Meyer,
Sprookjeswijsheid

art: Angela Kokonda

Geen opmerkingen: