22-06-18

Sophia-hymne

Sophia of Vrouwe Wijsheid is een oude gestalte uit de joodse wijsheidsliteratuur. Sophia is de Moeder van het Al, zij wordt door mensen Liefde genoemd.
Zij wordt in de gnosis ook Sophia genoemd, of bij de Hebreen de Amma, bij de Egyptenaren Isis en in Perzië en het Midden-Oosten Astarte. Bij de Joden werd zij vaak Shekinah genoemd - De joodse Sophia daalt af en stijgt op. Het is een archaïsch beeld afkomstig uit de oude moedergodinreligie. Isis, Inanna, Demeter en Kore en Asjera en Anat van Kanaän worstelen in de onderwereld en komen daarna weer boven op aarde.Zij zal in de gnostiek de naam zal dragen van Barbelo/Sophia.

na de Babylonische Ballingschap bouwden de joden de tempel weer op, maar nu zonder de symbolen van de Grote Godin. Geen levensboom meer, geen menorah en geen zuilen en dus ook geen Hieros Gamos meer. Geloof - Hoop en Liefde krijgen een andere wending....

                                     


De eerste hymne waarin Barbelo/Sophia zich zelf uitspreekt, vind je aan het eind van de lange
versie van het ‘Geheime boek van Johannes’.

Ze wordt Pronoia of Voorzienigheid genoemd.
Zij vertelt dat ze drie keer afdaalt.

Luister naar delen van het lied dat de onlangs teruggevonden Pronoia opnieuw voor ons zingt:

Ik nu, de volmaakte Voorzienigheid van het Al
heb mij gevestigd in mijn nageslacht.
In den beginne ging ik namelijk op alle wegen,
want ik ben de rijkdom van het Licht,
Ik ben de Gedachte (herinnering) aan het Pleroma.

Ik ging in de dikste Duisternis
en hield vol tot ik midden in de Gevangenis kwam.
En de grondvesten van de Chaos schudden,
en ik verborg mij voor hen vanwege hun boosheid
en zij kenden mij niet.

Zij daalt voor de tweede keer af, zonder succes.
Nogmaals ging ik, voor de derde maal,
ik, het Licht dat in het Licht is,
ik, de Gedachte van Voorzienigheid,
om tot midden in de Duisternis
en binnen in de Onderwereld te gaan.

Ik vulde mijn gelaat met het licht van de voleinding van hun eon (einde der tijden)
en ik ging tot midden in hun Gevangenis
-dat wil zeggen de gevangenis van het lichaam- en ik zei:
‘Laat wie hoort opstaan uit zijn diepe slaap’!
En hij/zij (de mens) weende en stortte vele bittere tranen.

Hij/zij wiste ze af en zei:
‘Wie is het die mijn naam roept
en vanwaar is deze hoop tot mij gekomen,
tot mij die zich in de ketenen van de Gevangenis bevindt’?
(hier huilt de oermens, de adam, om haar die redt).
En ik zei:‘Ik ben de Voorzienigheid van het zuivere Licht,
ik ben de Gedachte van de maagdelijke Geest,
die u opheft naar de verheven plaats.

Zij heeft bij haar kinderen het bewustzijn gewekt.
Sta op en bedenk, dat gij het zijt die( de roep) gehoord heeft.
Houd u aan uw wortel, aan mij, de Barmhartige,
en hoed u voor de engelen der Armoede
en de demonen van de Chaos en allen die u verstrikt houden.
En waak op uit de diepe slaap
en uit de omhulling van het binnenste van de Onderwereld’.

En ik deed hem opstaan
en verzegelde hem in het lichtwater met vijf zegels,
opdat de dood voortaan geen macht over hem zou hebben.
Ik ging omhoog naar de volmaakte eon (NHC II 1, 77).





In de vijfde en laatste hymne spreekt Protennoia of Eerste Gedachte.17 Zij daalt drie keer af.
Zij noemt zichzelf Barbelo (NHC XIII 1, 38).

Zij spreekt in een lange en schitterende redevoering, waarvan hier enkele delen volgen:

Ik ben Protennoia....
De Eerste Gedachte die in het Licht verblijft.

Ik ben de beweging die in alles is,
Waardoor het Al in stand wordt gehouden…
Ik ben het beeld van de onzichtbare Geest,
en door mij heeft het Al vorm gekregen
en ik ben de Moeder, het Licht...
De onbevattelijke moederschoot
de onbegrensbare en onmetelijke Stem…(38).

...Want, let op ik kom naar beneden,
naar de wereld der stervelingen
omwille van mijn deel dat daarin aanwezig is
vanaf de dag dat de argeloze Sophia overwonnen werd… (40)

Ik ben de eerste die afdaalde
Vanwege het deel van mij dat achtergebleven is
Dat is: de Geest die nu in de ziel woont (41)

De godsvonk of Geest
is het deel van haar dat achtergebleven is in duisternis en dat zij komt redden.
…luister naar mij, de Taal van de Moeder van jullie genade…(44)

ik ben het die de levensadem legt
in hen die mij toebehoren
en de eeuwige Heilige Geest
heb ik in hen uitgestort (45)

Ik droeg ieders omhulsel (lichaam)
en ik verborg mij in hen (47)

Ik hield mij verborgen in hen allen
tot de tijd dat ik mijzelf mocht openbaren… (49).


Geen opmerkingen: