01-05-18

spiritualiteit van Etty Hillesum

Etty Hillesum schreef  zittend voor het raam van haar kamer aan het Museumplein indrukwekkend, bezield en universeel werk die getuigen van een sterke persoonlijke ontwikkeling en een subliem literair talent...

Wie is Etty Hillesum

Esther (Etty) Hillesum werd op 15 januari 1914 in haar ouderlijk huis, Molenwater 77, te Middelburg geboren. Haar vader Levie Jacob (Louis) Hillesum was daar sinds 1911 werkzaam als leraar klassieke talen. Op 7 december 1912 was hij in Amsterdam getrouwd met haar moeder Riva (Rebecca) Bernstein, die zich toen ook in Middelburg vestigde. Haar vader was op 25 mei 1880 in Amsterdam geboren als jongste van de vier kinderen van de koopman Jacob Samuel Hillesum en zijn echtgenote Esther Hillesum-Loeza. Etty is dus naar haar grootmoeder van vaderszijde vernoemd.

Riva, haar moeder,  was op 23 juni 1881 in Potsjep (Rusland) geboren als dochter van Michael Bernstein en Hinde Lipowsky. Na een pogrom kwam zij als eerste van de familie op 18 februari 1907 uit Soerazj (Tsjernigov) naar Amsterdam. Op 29 mei van dat jaar volgde haar jongere broer Jacob, die diamantbewerker was en die ook bij de familie Montanjees introk. Op 10 juni van datzelfde jaar kwamen haar ouders ook uit Soerazj in Amsterdam aan. Kort daarna is de gehele familie clandestien naar de Verenigde Staten geëmigreerd; alleen Riva bleef achter bij Louis Hillesum, met wie zij immers sinds 7 december 1912 getrouwd was.

Behalve Etty kreeg Riva Hillesum nog twee kinderen: Jacob (Jaap), geboren te Hilversum op 27 januari 1916 en vernoemd naar Louis’ vader, en Michael (Mischa), geboren te Winschoten op 22 september 1920 en vernoemd naar Riva’s vader. Micha werd een begaafd pianist en Jaap arts




Etty ging na haar eindexamen gymnasium alfa in 1932 rechten studeren in Amsterdam.Op 23 juni en 4 juli 1939 legde zij het doctoraalexamen Nederlandse Rechten (publiekrechtelijke richting) af.  Daarnaast heeft Etty Hillesum ook Slavische talen in Amsterdam en Leiden gestudeerd, maar door de oorlogsomstandigheden heeft zij deze studie niet met een examen kunnen afsluiten. Wel is zij tot het eind toe met het bestuderen van de Russische taal en literatuur doorgegaan en heeft zij ook les gegeven. Zij had een intieme verhouding met de weduwnaar Han (Hendrik) J. Wegerif  - de ontmoeting die beslissend was voor haar leven was die met Julius Spier waar zij in therapie ging maar ook werden zij minnaars. Waarschijnlijk op advies van Spier begon Etty op 9 maart 1941 als onderdeel van haar therapie een dagboek. Het doel was dat ze hiermee door de oudere en nieuwere delen te vergelijken inzicht zou krijgen in haar persoonlijke ontwikkeling. In dit dagboek beschrijft ze haar gevoelens, alledaagse ervaringen en gedachten. Later gaan de tweede wereldoorlog en de Jodenvervolging een steeds grotere rol spelen. (Etty kreeg tijdens haar jeugd weinig van het joodse geloof mee. De familie liet zich in 1937 uitschrijven als lid van de joodse gemeente)

Etty verzorgde een cursus Russisch voor de Amsterdamse Volksuniversiteit en later gaf zij privé-lessen tot haar definitieve vertrek naar kamp Westerbork. Zij wilde bij haar vader, moeder en broer Mischa blijven, die inmiddels ook naar kamp Westerbork waren gevoerd na de grote razzia in Amsterdam op 20 en 21 juni 1943.  Het transport van 7 september 1943, waaronder vader, moeder, mischa en etty, naar Auschwitz-Birkenau is het laatste wat bekend is. Toen zij naar Auschwitz werd gedeporteerd, zat in haar rugzak een bijbel en een Russische grammatica.Volgens het Rode Kruis stierf zij op 30 november 1943, negenentwintig jaar jong.


                         



In therapie bij Etty Hillesum

Op 9 maart 1941 begint de Joodse Etty Hillesum (Middelburg 1914 – Auschwitz 1943) een dagboek. Niet om verslag te doen van de oorlog, maar om verslag te doen van zichzelf aan zichzelf. Een therapeutisch dagboek. Ze wil onder meer korte metten maken met haar chaotische levenswijze, haar onrust en opgejaagdheid, haar alsmaar niet “aan het werkelijke” toekomen. Al schrijvende gaat ze op zoek naar altijd geldige woorden, naar een houvast voor het leven. Daarbij belandt ze in een opmerkelijk bewustwordingsproces waarbij ze ‘iets van een God’ in zichzelf ontdekt, een God die volgens haar niets met de oorlog te maken had – elkaar uitmoorden is mensenwerk – en die ze veilig door de tijd heen wil loodsen.

Hillesums dagboekcahiers – geschreven van 9 maart 1941 tot en met 13 oktober 1942 – waren in eerste instantie niet voor publicatie bedoeld. Toch besluit Etty Hillesum voor haar definitieve vertrek naar kamp Westerbork om haar “modderschrift” bij haar huisgenote Maria Tuinzing achter te laten. Haar innerlijk avontuur mocht worden gepubliceerd indien ze niet van de kampen zou terugkeren. Aldus geschiedde. En zo werd de wereld geconfronteerd met een egodocument dat zeer veel verschillende reacties uitlokte. Uit de veelkleurige en conflictrijke receptiegeschiedenis is in elk geval duidelijk geworden dat Hillesums werk voor veel mensen een inspiratiebron is om tot innerlijke rust te komen. Het lezen van haar woorden lijkt te werken als een therapeutische onthaasting, een herontdekking van het leven in de waan van de dag. Sinds enige tijd ontmoet ik regelmatig mensen die intens blij zijn dat ze het werk van Etty Hillesum hebben ontdekt. “Dit helpt mij verder met mijn leven” hoorde ik onlangs en ook “dat het leven ondanks alle zinloosheid toch zinvol is, dat leerde ik van het dagboek”. In haar honderdste geboortejaar blijkt Etty Hillesum populairder dan ooit. Voor veel lezers komt ze als geroepen.



                    - op iedere plek van deze aarde is men 'thuis' wanneer men alles in zich draagt -

Innerlijke chaos

Etty Hillesum kwam uit een onconventioneel en getalenteerd gezin. In het dagboek beklaagt ze zich weleens over het feit dat haar ouders haar geen enkel houvast hadden meegegeven. Integendeel. Hun “kapitaal aan begaafdheid en menselijke waarde” werd helemaal niet goed gebruikt. Zo schrijft ze over haar ouderlijk huis: “Je breekt hier je nek over de onopgeloste problemen over snel wisselende stemmingen, het is een chaotische en droevige toestand, die zich weerspiegelt in de uiterlijke chaos van de huishouding.” Op het moment dat ze dat schrijft, is ze al een maand of vijf bezig om haar gevoelens en gedachten zo eerlijk mogelijk in een dagboek te registreren. Haar eigen “psychische hygiëne” stond op het spel. Haar grote inspiratie was de ontmoeting met de Duits-Joodse psychochiroloog Julius Spier (1887-1942). Deze Jungiaanse handlijnkundige vertelde haar dat zij haar eigen gevoelens van onbehagen moest onderkennen als een “seelische Verstopfung”, een verstopping van de ziel. Met zijn hulp zou ze wat meer vat kunnen krijgen op haar stemmingswisselingen. Ondanks enige ambivalenties was ze verbaasd over de wonderen die hij in korte tijd bij haar had verricht door “gymnastiek, ademhalingsoefeningen, verhelderende, verlossende woorden over mijn depressies, verhouding tot anderen enz.”. Ze was aangenaam verrast door het plotselinge verdwijnen van haar verstopte gevoel en de opkomst van vloeiende gevoelens van innerlijke bevrijding, rust en orde. Deze onverwacht snelle resultaten waren voor haar een reden om het avontuur van de Spieriaanse therapie van zelfverwerkelijking – Werde der du bist! – aan te gaan. Tot de dagelijkse ingrediënten van haar nieuwe levenswijze behoorden naast lichamelijke disciplinering ook lezen, schrijven en een dagelijks moment van inkeer, een zogeheten “boeddhistisch kwartiertje”: niet naar de wereld luisteren, maar naar jezelf.

Midden in het struikgewas

In haar dagboek maakt Etty Hillesum al snel gebruik van de term ‘vroeger’, daarmee vooral verwijzend naar de tijd voordat ze Spier kende: toen ze het leven minder goed of helemaal niet in de hand had. Wanneer ze over ‘vroeger’ begint te schrijven, dan volgt meestal een betoog van grote ontevredenheid over zichzelf: “Vroeger had ik altijd het opgejaagde gevoel nergens tijd voor te hebben, tenminste geen tijd voor de kleine dingen des levens, niet voor de tandarts, niet voor de kapper, niet voor een blokje om te wandelen en niet altijd voor vrienden, tenminste gesprekken, intermezzos met vrienden en kennissen gaven me dan steeds een krampachtig en onrustig gevoel, dat het ergens van m’n kostbare tijd afging. En waarvoor had ik al die tijd nodig?” Ja, waarvoor had Hillesum al die tijd nodig? Ze vervolgt: “Voor m’n ‘Werk’, een zeer mystiek begrip, want van dat werk kwam niet veel terecht, door die innerlijke onrust en opgejaagdheid.” Juist ja. Voor veel hedendaagse lezers zal dit een herkenbare gemoedstoestand zijn: voortdurend het gevoel te hebben nergens tijd voor te hebben en ook aan het ‘echte werk’ niet toekomen. Mochten we denken dat dit symptomatisch is voor onze tijd – druk druk druk – dan zouden we ons dus weleens kunnen vergissen. Het lijkt veeleer symptomatisch voor de menselijke psyche die zichzelf regelmatig verliest in een teveel aan dingen en dingetjes. Etty Hillesum heeft het zelfs over een “weerzinwekkende ragoût van allerlei kleine gedachtetjes en onrustjes” in haar hoofd. In het dagboek trekt ze al schrijvend ten strijde tegen deze ragoût. “Het is allemaal weer zoekender en onrustig en opgejaagd van binnen. En het hoofd weer strak gespannen. Ik herinner me met een zekere afgunst de twee vorige Zondagen: de dagen lagen als open wijde vlaktes voor me en ik kon vrij over die vlaktes gaan en die dagen waren wijd en onbelemmerd in hun uitzicht. En nu zit ik weer midden in het struikgewas –”. Het woord “struikgewas” is een van haar favoriete beelden voor getroebleerde gemoedstoestanden. Er is dan sprake van een opeenhoping van “kleinmenselijke rommel en franje” die moeten worden weggewerkt, bijvoorbeeld door haar dagelijkse meditatie: “En laat dat dan het doel zijn van dat mediteren: dat je vanbinnen één grote, ruime vlakte wordt, zonder het geniepige struikgewas, dat het uitzicht belemmert. Dat er dus iets van ‘God’ in je komt, zoals er in de Negende van Beethoven iets van ‘God’ is.”




Het eigen lawaai

Dat er iets van ‘God’ in Hillesum komt is bij de meeste lezers van haar nagelaten werk niet onopgemerkt gebleven. De God van Etty Hillesum zit voorbij het struikgewas en de onrust, hoort bij haar zielenlandschap van wijdheid en rust: “En achter de struikgewassen van m’n onrust en verwar­ringen strekken zich de brede effen vlaktes van m’n rust en overgege­venheid.” Wat dus nodig is, steeds weer, is om voorbij het struikgewas te geraken. Daartoe is een confrontatie met alle soorten van psychische verstoppingen nodig. Zelfconfrontatie is haar manier om de dichtgeslibde “afvoerkanalen” weer te laten vloeien en tot ware oceanische wijsheid en innerlijke vrede te komen. Daarom probeert Hillesum met enige volharding zo eerlijk en niets ontziend mogelijk haar hebbelijkheden en onhebbelijkheden op een rijtje te zetten. En daarbij scheldt ze zichzelf nogal eens uit: ‘snertprul’, ‘onbenullig mispunt’, ‘gemakzuchtig loeder’. En omdat ze bij alles vragen stelt, heeft ze ook weleens haar twijfels over het mediteren: “Ja, en daar zat ik. Heel stil. A.h.w. starende op m’n navel, in vrome afwachting, of er nieuwe krachten in me wilden opborrelen.” En ze vraagt zich dan af of dat “werken aan zichzelf” in oorlogstijd eigenlijk wel helemaal verantwoord is. Is het niet allemaal te egocentrisch? En wat heeft de oorlogvoerende samenleving eraan? Toch concludeert ze voor zichzelf dat het “geen ziekelijk individualisme” is. Sterker, ze meent dat vrede alleen een echte vrede kan worden wanneer iedereen aan zichzelf zou werken, “wanneer eerst ieder individu in zìchzèlf vrede sticht”. Een dergelijke sprong van persoonlijke innerlijke vrede naar wereldvrede is paradigmatisch voor Hillesums psychologische kijk op de wereld. Het doet denken aan Ghandi’s motto “Verbeter de wereld, begin bij jezelf”. Hillesum is ervan overtuigd dat mensen eerst aan zichzelf moeten werken en dan aan de wereld. Het “lawaai” van de buitenwereld is volgens haar veelal een projectie van ons eigen lawaai – voortkomend uit “de botsing van een hele hoop complexjes tegen elkaar”. Wie het eigen lawaai kent zal een beter mens worden.

Tegen de struisvogelpolitiek

Het persoonlijk onderzoek naar het eigen lawaai vraagt om een nietsontziende analyse van ons eigen “kleine ik”, van onze “ich-haftigkeit”. Etty Hillesum vindt dat iedereen uit “zijn eigen ‘ich-haftigkeit’ van­daan zou moeten komen”. Ze meent dat er sprake is van “een struisvogelpolitiek van velen” die een beroep doen “op het gewicht en de ernst” van de oorlogstijd en intussen “hun eigen kleine problemen onopgelost en slordig in alle hoeken van hun wezen laten slingeren”. En ze vervolgt: “Er is een apart soort moed voor nodig om in het aangezicht van belangrijke gebeurtenissen van jezelf kleine en z.g. onbelangrijke problemen ernstig te nemen. Maar worden in laatste instantie de gebeurtenissen, die groot en dreigend buiten en boven en om ons staan, maar waarmee we een innerlijk contact zouden moeten voelen, niet geboren uit ons zelf?” Met andere woorden: zouden we werkelijk aandacht besteden aan de samenstelling van ons persoonlijk struikgewas en onze zwakke punten beter leren kennen, dan zou er vanzelf een betere wereld komen. Er is volgens Hillesum “een apart soort moed” voor nodig, maar het loont zich. Onze getroebleerde en kwetsbare gemoedstoestanden zijn immers de belangrijkste veroorzakers van geweld en oorlog. Etty Hillesum schreef dergelijke en andere gedachten op tijdens de oorlogsjaren, een innerlijk antwoord formulerend op de totale oorlogsdreiging om haar heen. Zij bleef ondanks alles in het “het werken aan zichzelf” geloven. Het was voor haar de manier om door haar eigen onrust en opgejaagdheid heen te breken en tot grote innerlijke vrede en weerbaarheid te komen. Door het “werken aan zichzelf” had ze de werkelijkheid voorbij het struikgewas ontdekt: het kostbare leven, God, liefde. Wie bang was voor het eigen struikgewas, zou volgens Hillesum niet alleen onwetend blijven over de eigen barricades maar ook over de eigen verborgen bronnen. En wie zichzelf niet wilde helpen om een beter mens te worden, zou ook nooit anderen kunnen helpen. En Etty Hillesum wilde anderen graag helpen, het liefst in een “psychologische practijk”.





Een postume “practijk”

Dieptepsychologische en pacifistische Schöngeisterei of een nalatenschap met een bezielde boodschap van humaniteit en godsgeloof? Is het trouwens nodig om daarover een oordeel te vellen? Hillesum heeft niet de tijd van leven gehad om haar dagboekaantekeningen te ordenen of te censureren. Wie weet wat ze postuum uit haar teksten zou hebben geschrapt. Aanvankelijk hebben anderen dat voor haar gedaan (Het verstoorde leven, 1981), maar sinds 1986 is er gelukkig een volledige en ongecensureerde editie beschikbaar. Etty Hillesum heeft haar elf cahiers en een stapeltje brieven voor ons achtergelaten, ondanks haar regelmatig opduikende twijfels: “Ik ben begonnen m’n dagboekschriften over te lezen en ik moet zeggen, dat ik me af en toe geneer voor de bakvisachtige nonsens.” Ze heeft het ook wel over haar “vervloekte onzin” die haar soms “een ietwat gegeneerd gevoel” geven. En wanneer ze één van haar schriftjes toevertrouwt aan haar huisgenote Maria Tuinzing, schrijft ze: “Je vraagt om een dagboek – omdat jíj het bent, ik laat zo een onnozel schrift achter, er staat zoveel rommel in, indiscrete vrouw!” Etty Hillesum is echter over haar schaamte heengestapt en heeft haar dagboekaantekeningen – inclusief alle rommel en rafels – aan ons nagelaten. Een ware gift, juist ook vanwege de talloze struikgewassen. Meerdere factoren zullen bij Hillesums besluit een rol hebben gespeeld, maar duidelijk is dat ze zich gaandeweg steeds meer “een bewaarplaats van een stuk kostbaar leven” was gaan voelen alsook een getuige van de lotgevallen van het Joodse volk. Ze voelde een appèl om te getuigen. De enige manier om bij voortijdig sterven haar stem door te geven aan “de komende generaties” was haar dagboekcahiers uit handen te geven.

Ze heeft zelf niet meer de kans gehad om een “psychologische practijk” te beginnen, maar het lijkt erop dat haar dagboekcahiers deze taak van haar hebben overgenomen. Veel lezers worden op onnavolgbare wijze heel persoonlijk geraakt door Hillesums woorden, alsof haar woorden levensreddend zijn en een nieuw begin mogelijk maken. En ik moet weer denken aan de jonge vrouw die ik onlangs ontmoette en zo blij was met haar ontdekking van Hillesums werk en spontaan riep: “Dit helpt mij verder met mijn leven.”


‘Veel mooie woorden geef ik zonder woorden’

Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je één ding beloven God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen voor de toekomst niet als even zovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost enige oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen, God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor instaan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aan komt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook eraan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag ons daar later voor ter verantwoording roepen.


Laat de nacht de nacht en de dag de dag zijn en behandel de ene niet onrechtvaardig door de goede herinnering aan de ander en laat ieder moment van een vriendschap zich ontplooien in z’n eigen waard, niet vergeleken, gekleineerd en geremd in z’n ontwikkeling door de herinnering aan een ander moment.


Men zou een pleister op vele wonden willen zijn......



bronnen:
Klaas A.D. Smelik en het Etty Hillesum onderzoekscentrum Deventer (EHC)
Ria van den Brandt onderzoeker ‘Spirituality Studies’ en ‘Holocaust Studies’ bij de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen en specialist op het gebied van Etty Hillesum Studies (waarvan zij samen met Klaas A.D. Smelik de initiator was)
Judith Koelemeijer, biograaf van Etty Hillesum
Herinneringskamp Westerbork




artikel van Ria van den Brandt  in Essay, Spiritualiteit 1 april 2014

http://www.ettyhillesumcentrum.nl

Etty Hillesum -  Het werk (1941-1943) eerste druk okt 1986 zesde herziene druk september 2012
boek onder redactie van Klaas A.D. Smelik, tekstverzorging door Gideon Lodders en Rob Tempelaars, Balans: Amsterdam 2012 (zesde herziene een aangevulde druk van de eerste editie van 1986).

© Joke

Geen opmerkingen: