16-02-2018

Godinnen naast JHWH

Oermoeder,  hoedster van de vrouwelijkheid – waar ben je? Ben je Asjera, Anan en Astarte,  het land van melk en honing met de vuur- of de spirituele zonnegod Baäl/El?



Godinnen naast JHWH is een artikel van Marjo C.A. Korpel, Universitair Hoofddocent Oude Testament Groningen, Amsterdam; zij heeft verschillende boeken beschreven waarin zij aantoont dat:
Aan het bijbelse paradijsverhaal liggen Kanaänitische mythen ten grondslag. Oude kleitabletten uit Ugarit, een vergane stad in het voormalige Kanaän, bevatten een oerversie van het verhaal van Adam en Eva. Samen met andere oudoosterse mythen droegen zij bij aan de vorming van de bijbelse verhalen over schepping, paradijs en zondvloed. 




JHWH, de God van Israël, duldt geen andere goden naast hem, en het Oude Testament benadrukt dat hij alleen vereerd mag worden. Waarom was dit dan nodig? Ondervond JHWH concurrentie van andere goden, of zelfs van godinnen? Levert archeologisch onderzoek een bijdrage aan het beantwoorden van dit probleem?

Het thema van dit nummer kan heel goed geïllustreerd worden aan de hand van een kwestie die oudtestamentici al heel lang bezighoudt: had de ene God van Israël een vrouwelijke partner? Of omringde hij zich, net als grote koningen op aarde, zelfs met een hele harem?

Vanaf de opkomst van de kritische Bijbelwetenschappen is het vermoeden geuit dat de verering van één God alleen, waar het Oude Testament zo veel nadruk op legt, een late constructie is geweest van het opkomende jodendom. In werkelijkheid, zo zegt men, zou het vroege Israël veel meer goden vereerd hebben. Dus de echte godsdienst van Israël zou niet monotheïstisch geweest zijn, maar polytheïstisch. En dus was er ook ruimte voor godinnen naast JHWH.

De ons overgeleverde teksten zouden in dit geval een theologische constructie (mind) verbreid hebben die aan de hand van de harde feiten (materie) die bij opgravingen aan het licht zouden komen, spoedig weersproken zou worden. Inderdaad kwamen bij opgravingen in het heilig Land vaak beeldjes tevoorschijn die het typisch vrouwelijke geprononceerd tot uitdrukking brengen: ongesluierd gelaat, naakte borsten, die vaak met de handen uitdagend omhoog gedrukt worden, onbedekt schaamhaar. Vooral de zogeheten Astarte-plaquettes zijn in dit opzicht bekend geworden.

Nader onderzoek leerde dat verschillende kenmerken en attributen van deze naakte vrouwenfiguren inderdaad wijzen op hun goddelijke status. Zij lijken op andere oud-oosterse liefdesgodinnen, zoals de Egyptische Hathor en de Babylonisch-Assyrische Isjtar. Dit leek de theorie te bevestigen: er werden in het oude Israël wel degelijk godinnen vereerd.

In het Oude Testament zelf wordt vaak met verontwaardiging vastgesteld dat de Israëlieten de godinnen Astarte en/of Asjera vereerden in plaats van zich uitsluitend te wenden tot JHWH, de God die Israël als zijn eigen volk had uitverkoren. Verder wordt meer dan eens vermeld dat er zogeheten Asjera-palen werden opgericht. Ook waren er in de tijd van Jeremia Israëlieten die de ‘koningin van de hemel’ aanbaden.

De moeilijkheid is echter dat de teksten waarin zulke verering van godinnen veroordeeld wordt, inderdaad van latere datum zijn (de profetische boeken en het zogeheten deuteronomistische geschiedwerk). Ook de manier waarop de godinnen getekend worden, is nogal stereotiep en polemisch. De bijbelschrijvers hadden er duidelijk weinig behoefte aan accurate informatie te geven over de door hen verafschuwde godinnen. Hoe het werkelijk zat, kunnen we dus alleen door vergelijking met buitenbijbelse gegevens te weten komen. Maar ook aan de kant van die ‘objectieve’ gegevens stuiten we op grote problemen. Wat de teksten betreft, omdat ze van heel verschillende datum en herkomst zijn, waardoor een godin met dezelfde naam toch totaal verschillende functies kon hebben.

De gedachtewereld van het polytheïsme is bovendien  moeilijk te doorgronden. Goden komen op en verdwijnen, vaak in samenhang met politieke gebeurtenissen op aarde. Mannelijke en vrouwelijke goden verenigen zich in steeds wisselende relaties. Godengestalten splitsen zich van elkaar af of gaan juist geheel in elkaar op. Wat religieuze voorwerpen als beeldjes en afbeeldingen betreft, is het probleem dat er meestal niet op staat welke god of godin is afgebeeld. Waardoor het zelfs niet altijd zeker is dat we met een godenbeeld te maken hebben. We zullen deze problemen nader toelichten aan de hand van drie godinnen die in het Oude Testament met name genoemd worden.



De Grote Moeder van Israël genaamd Asjera is in de beeldtaal aanwezig in de symbolen van de levensboom, de lotus, de leeuwin, de (vrouwelijke) ibex en de koe met haar kalf.....

Asjera 

De godin Asjera komt al voor in teksten aan het begin van het tweede millennium. Eerst als gemalin van de West-Semitische god Amurru, later als de gemalin van de hoogste god El, een naam die ook de God van Israël in de Bijbel draagt. In de teksten van Ugarit (die ik in dit tijdschrift al eens eerder heb besproken) worden El en Asjera getekend als bejaarde personen. De afbeeldingen waarvan men aanneemt dat ze Asjera voorstellen, laten dan ook duidelijk een godin zien die een lange, bijna alles bedekkende mantel draagt. Van El wordt op een bepaald moment gezegd dat hij grijs haar heeft. Dat Asjera in principe ook een oude vrouw is, kan opgemaakt worden uit het feit dat ze zeventig goden gebaard heeft. Beide echtelieden worden aangeduid als scheppers van goden en mensen. In Ugarit is de godin Asjera dus ongeveer 1200 vóór Christus nog dominant aanwezig, maar zij is wel op haar retour. Net als haar echtgenoot El overigens, die door jongere goden als Baäl en Anat op de hak wordt genomen, en die volgens een bepaalde tekst zelfs stomdronken in zijn eigen drek zou zijn gevallen. Het is opmerkelijk dat er tussen de beeldjes die in Syrië, Libanon en Palestina/Israël gevonden zijn, zowel beeldjes van een oude, zittende vrouw voorkomen, en een zittende godheid, als van een staande, schaars geklede jonge god en godin. Door vergelijking met de gevonden teksten uit Ugarit is het zeer waarschijnlijk dat de zittende god en godin afbeeldingen zijn van El en Asjera, terwijl de jonge god en godin Baäl en zijn gemalin Anat, dochter van El en Asjera, uitbeelden.

De meest aannemelijke uitleg van de naam van de godin Asjera is ‘de plaats’, in de specifieke zin van heilige plaats, heiligdom. Er wordt in de teksten van Ugarit vaak aan toegevoegd: ‘Asjera van de zee’.  Waarschijnlijk werd zij verbonden met diverse heilige plaatsen aan zee: Ugarit, maar ook plaatsen als Tyrus en Sidon. De benaming is niet zo vreemd als het misschien wel lijkt. Vergoddelijking van heilige plaatsen kwam in de Semitische wereld vaak voor. Het is überhaupt goed ons te verplaatsen in de denkwereld van het polytheïsme. Goden konden zich in mensengestalte manifesteren, maar ze konden desgewenst ook de vorm van een dier, een voorwerp of een natuurverschijnsel aannemen. Dat bewees nu juist hun goddelijkheid: dat ze niet, zoals wij, mensen, gebonden waren aan één verschijningsvorm.

Dus een tempel aan zee was net zo goed Asjera als een antropomorf beeld van Asjera. Een aantal malen wordt zij in de Ugaritische mythen ook aangeduid met de naam Qudsj, en ook dit betekent ‘heiligdom’ (vergelijk al- Quds, een naam van de al-Aqsa moskee in Jeruzalem). Zo hebben haar twee namen dus in feite dezelfde betekenis.

De mythische verhalen en de godenlijsten uit Ugarit doen vermoeden dat Asjera daar tegen het einde van het tweede millennium vóór Christus niet bepaald populair meer was. Er begint zich dan een verschuiving af te tekenen in het beeld van de godin Asjera. Meer en meer blijkt Asjera zich te vermengen met haar dochter Anat. Van de koningszoon Yassubu wordt bijvoorbeeld gezegd dat hij de melk van Asjera zal drinken en aan de borst van de godin Anat zal zuigen. Asjera en haar dochter Anat worden hier dus min of meer aan elkaar gelijkgesteld. De oude moedergodin wordt vervangen door de populaire, jonge godin van de liefde. Dit is afgebeeld op een paneel van een ivoren bed van het koninklijk paar van Ugarit. Twee prinsen zuigen haar borsten. Zij draagt horens op haar hoofd en heeft vleugels. Beide elementen komen overeen met de manier waarop Anat in de literaire teksten van Ugarit afgeschilderd wordt. Tegelijkertijd draagt zij de lange mantel, die juist kenmerkend was voor Asjera, de oude moedergodin.

Dat er ook een beweging gaande moet zijn geweest die juist de rol van de jonge mooie godin wilde verkleinen, wordt duidelijk uit een Kanaänitische mythe waarin Asjera probeert Anats partner Baäl ertoe te verleiden met haar te vrijen. In het eerste millennium vóór Christus is de rol van Asjera onder de Kanaänieten nagenoeg uitgespeeld. Zij komt nauwelijks voor in teksten buiten het Oude Testament. Zij is dan opgenomen in een triade met de jonge godinnen Anat en Astarte of verdwijnt geheel in de gestalte van de meer moederlijke godin Atargatis (Anat-Astarte). Het is daarom zeer opmerkelijk dat in het Oude Testament Asjera juist nog wél als een belangrijke Kanaänitische godin wordt getekend, en dan niet als partner van El, maar van Baäl. Dat moet ongetwijfeld worden toegeschreven aan het feit dat sommige koningen van Israël en Juda, bijvoorbeeld Salomo, Achab en Manasse, er niet zo veel kwaad in zagen naast de staatsgod JHWH/El zijn oude partner Asjera (weer) een plaats te gunnen. Koninginnen zullen daarbij zeker hun invloed aangewend hebben om een ook voor vrouwen aantrekkelijk godsbeeld te scheppen, zoals we met zekerheid weten in het geval van koningin-moeder Maächa (1 Koningen 15,13). Vergelijking van teksten als Rechters 2,13 met Rechters 3,7 en 2 Koningen 23,4-6 met 2 Koningen 23,13-14 legt de conclusie voor de hand dat de bijbelschrijvers geen groot onderscheid meer zagen tussen Asjera en Astarte. Al die belangrijke godinnen van weleer waren inmiddels samengesmolten tot de ene, de vruchtbaarheid bevorderende godin.

In het Oude Testament wordt Asjera vaak gelijkgesteld aan een heilige boom of gewijde paal (onder meer 1 Koningen 14,23; 16,33; 2 Koningen 17,16). Voor die identificatie bieden de teksten van Ugarit tot op heden geen aanknopingspunten. We weten uit Ugarit wel dat in de Kanaänitische religie verering van bomen en stenen voorkwam. Vooral bij orakel uitspraken speelden ze een rol. Ze konden namelijk boodschappen ‘doorfluisteren’ en ‘murmelen’ die vooral regengod Baäl kon verstaan (KTU 1.3: III.22-23; vergelijk 2 Samuël 5, 23-24). Omdat in het eerste millennium Baäl vaak vereenzelvigd werd met de opgerichte stenen (masseben) op de cultushoogten, is het niet ondenkbaar dat de associatie van Asjera met bomen in het oude Israël tot stand is gekomen via haar identificatie met Anat/Astarte.

Twee munten uit Tyrus beelden zo’n Kanaänitische cultusplek af: opgerichte stenen met een boom . De opgerichte stenen zijn een symbool van Baäl; de boom representeert Asjera/Anat/Astarte. De liefdesgodinnen Anat en Astarte werden vaak afgebeeld als meesteressen van gazellen, wat de vergelijking van de mannelijke geliefde met een gazelle in het Hooglied in gedachten brengt (onder meer Hooglied 2,8-9.17; 4,5). Afbeelding (zie hieronder) laat een gestileerde Asjera/Anat/Astarte-boom zien, met aan weerszijden gazellen die via een navelstreng met de boom verbonden zijn en aldus haar levenssappen ontvangen.


                 



Anat en Astarte 

De beide godinnen Anat en Astarte zijn in Ugarit dochters van de hoogste god El. Er zijn meer overeenkomsten: beiden worden beschreven als jong en bijzonder mooi, beiden zijn liefdespartners van Baäl, beiden zijn oorlogszuchtig en beiden zijn geduchte jagers. Ze lijken wel wat op Athene en Artemis in de Griekse mythologie. Hoewel zij in Ugarit nog aparte godinnen zijn, begint zich daar al een ontwikkeling naar een twee-eenheid af te tekenen, die later zou leiden tot het ontstaan van de Syrische godin Atargatis. De meest waarschijnlijke betekenis van de naam Anat is ‘ploegvoor’ en daarbij staat duidelijk de metaforiek van de aarde die bevrucht moet worden door regen op de achtergrond.

Anat wordt maagd genoemd, omdat zij niet op de normale manier gemeenschap met Baäl kon hebben doordat haar vulva was dichtgenaaid. Deze gruwelijke praktijk, die in onze dagen helaas nog steeds in bepaalde culturen geaccepteerd wordt, bestond dus al 3200 jaar geleden ... Anat en Baäl bedrijven wel het voorspel als mensvormige geliefden, maar wanneer het op gemeenschap aankwam, moesten zij de gestalte van een jonge koe en een stier aannemen. Niet moeilijk voor goden.

De naam Astarte is moeilijker te duiden. In Mesopotamië heet zij Isjtar, en ook daar is zij godin van zowel oorlog als liefde. Zij heeft ook mannelijke trekken, net als Anat in Ugarit. Misschien hield dat verband met de twee gestalten van de planeet Venus als morgen- en avondster; Isjtar werd daarmee geïdentificeerd.

In Ugarit heeft men de mannelijke helft onder de naam Astar afgescheiden van de vrouwelijke helft Astarte. Zowel in Ugarit als in Zuid-Arabië werd Astar gezien als de god die verantwoordelijk was voor kunstmatige irrigatie van moestuinen. In Ugarit wordt hij meer dan eens belachelijk gemaakt als de incompetente tegenhanger van Baäl, de god van de overvloedige regen (afbeelding 7). Hij is een god die niet, zoals Baäl, kan rennen en de bliksemspeer kan slingeren. Hij struikelt over zijn eigen benen. Dat maakt het waarschijnlijk dat men in Ugarit een spottende woordspeling in de zin had met een werkwoord dat in het Arabisch nog steeds ‘struikelen’ betekent. Ook op grond van het Arabisch is echter te verdedigen dat de naam in werkelijkheid ‘land dat bevloeid moet worden’ betekent. Dan zouden de namen van Anat en Astar(te) dus ongeveer dezelfde betekenis gehad hebben, en waren alle drie de godinnen verbonden met de aarde en vruchtbaarheid.

In de Bijbel komt Anat alleen in een persoonsnaam en een plaatsnaam voor (Rechters 1,33; 3,31). Omdat zij in het eerste millennium vóór Christus ook elders nog slechts sporadisch werd vereerd, lijkt het niet onaannemelijk dat zij het lot van haar moeder Asjera gedeeld heeft en haar machtige positie is kwijtgeraakt. Dit in tegenstelling tot Astarte, die buitengewoon populair werd. In de Bijbel wordt de verering van de godin Astarte nog meer dan eens fel veroordeeld. Zo wordt in 1 Samuël 7 gezegd dat het volk ten tijde van de profeet Samuël, wanneer de ark van het verbond een vaste plaats heeft gekregen in Kirjat-Jearim, steeds meer Israëlieten hun nood over de Filistijnse dreiging klagen bij JHWH. Samuël zegt dan: ‘Als het u werkelijk ernst is terug te keren naar JHWH, doe dan de vreemde goden zoals Astarte weg en richt u met heel uw hart naar JHWH. Dien hem alleen; dan zal hij u bevrijden uit de greep van de Filistijnen.’ In het boek Samuël blijkt de verering van Astarte vooral verbonden te zijn met de Filistijnen (in 1 Samuël 31,10 wordt gesproken over een tempel van Astarte bij de Filistijnen), en blijkbaar waren er Israëlieten die vanwege de overheersing door de Filistijnen dachten dat de goden van de Filistijnen machtiger waren dan JHWH, en daarom hun heil deels zochten bij de religie en de goden van die Filistijnen.

Ook van koning Salomo wordt beweerd dat hij op zijn oude dag valt voor de goden van andere volkeren, door toedoen van zijn vele buitenlandse vrouwen, en één van die goden is Astarte, hier aangeduid als ‘godin van de Sidoniërs’ (dat wil zeggen: van de stad Sidon, een havenplaats in het gebied van de Feniciërs). De bijbelschrijver meldt dat Salomo voor al zijn buitenlandse vrouwen eigen offer plaatsen maakte, zodat ze wierook konden branden en offers konden brengen voor hun goden (1 Koningen 11,1-8, vergelijk ook 1 Koningen 11,33).

De afschuw van Astarte bij de late overleveraars van de Bijbel komt tot uitdrukking in de vocalisatie van haar naam in het Hebreeuws: Astoreth, om eraan te herinneren dat men in plaats van de naam bosjet, ‘schande’ moest lezen. Maar het is de vraag of die afschuw altijd en onder alle Israëlieten even sterk aanwezig is geweest. Zelfs in late teksten als Deuteronomium 7,13; 28,4.18.51 worden vrouwtjesdieren in de grondtekst als ‘astartes’ betiteld.

Conclusie Er is inderdaad aanleiding om te veronderstellen dat in het oude Israël naast JHWH godinnen vereerd werden. Maar in de officiële cultus niet op zo grote schaal als men wel eens verondersteld heeft. Afgezien van incidenten als het beeld van de godin Asjera dat koning Manasse in de tempel opstelde, zijn er geen bewijzen voor een officiële, breed gesteunde verering van een godin naast JHWH.

Godinnen hadden vooral een plaats in de huisgodsdienst van vrouwen. Het verlangen naar kinderzegen was zo groot dat alles wat de vruchtbaarheid wellicht kon bevorderen, werd aangegrepen om die vurige wens te vervullen. Dat verklaart de aanwezigheid van de amulet-achtige afbeeldingen van godinnen als de moedergodin Asjera en de liefdesgodin Astarte die de archeologie heeft opgeleverd. De vrouwen die er baat bij hoopten te hebben, zoals de tot dan toe onvruchtbare Rachel, die de kleine huisgoden van haar vader meenam, zullen daaraan geen zwaarwichtige theologische overwegingen verbonden hebben. Terwijl in de buurlanden van Israël godinnen eigen tempels en cultusbeelden kregen, zijn daarvan tot op heden bij opgravingen in Israël geen eenduidige bewijzen gevonden.

Bij de omringende volken gaf men kinderen vaak namen waarin de namen van allerlei goden en godinnen waren verwerkt. In Israël bevatten zulke theofore persoonsnamen vrijwel uitsluitend de naam van El (God) of JHWH. Zelfs koningen die er geen bezwaar tegen hadden andere goden en godinnen naast JHWH te vereren, gaven hun kinderen toch geen namen waarin die andere godennamen voorkwamen. Dit betekent dat het plaatje complexer is geweest dan een tegenstelling tussen ‘boekgodsdienst’ en ‘volksgodsdienst’ (Dever) suggereert. Ook in de persoonlijke geloofsbeleving moet er een besef zijn geweest van wat de gedeelde religieuze norm was, en wat daarnaast tolerabel was.

De formeel breed gedragen concentratie op één God heeft in Israël weinig ruimte gelaten voor godinnen. Het enkele feit dat vooral de profeten vanaf de achtste eeuw vóór Christus fel tekeergingen tegen de verering van Asjera/Astarte, bewijst dat zulke verering inderdaad voorkwam. In dit opzicht is er geen sprake van spanning tussen de tekstuele en de materiële gegevens waarover wij thans beschikken. Maar de concentratie op één God kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Ik ben het eens met de geleerden die zeggen dat de godsdienst van Israël gezien moet worden als een (vroege) afsplitsing van het Kanaänitische polytheïsme, die ontstond doordat men zich begon te concentreren op de verering van één God.

Die gedachtesprong maakte het noodzakelijk de eigenschappen die in het polytheïstisme over diverse goden verdeeld waren, op te eisen voor JHWH. Dat gold niet alleen voor de regengod Baäl (zie bijvoorbeeld Hosea 2), maar ook voor godinnen als Anat en Asjera.

Hoewel over de oorspronkelijke tekst van Hosea 14,9 verschillend gedacht wordt, ben ik het met anderen eens dat hier, mede in het licht van Ugaritische en Hebreeuwse inscripties, gelezen moet worden:
Efraïm, wat heb ik van doen met uw afgodsbeelden? 
Ik ben zijn Anat en zijn Asjera! 
Ik ben als een altijd groene cypres, van mij komt uw fruit! 


Hier worden dus de typische attributen en functies van de vruchtbaarheidsgodin Asjera/Anat opgeëist door JHWH. Dat geldt ook voor de scheppende functie die Asjera in Ugarit nog samen met El uitoefende. Samen werden zij daar voor de scheppers van de mens gehouden.

Het meervoud dat in Genesis 1,26-27 gebruikt wordt bij de beschrijving van de schepping van de mens, was ooit een dualis, en de dualiteit in het godsbeeld van Israël – zowel mannelijk als vrouwelijk (vergelijk bijvoorbeeld Jesaja 45,10-11; 49,15; 66,13; Psalm 131,2) – gaat dus terug op oeroude Kanaänitische traditie omtrent het hoogste godenpaar.


Literatuur – B. Becking en M. Dijkstra (redactie), Eén God alleen? Over monotheïsme en de verering van de godin Asjera, Kampen 1998; – W.G. Dever, Did God Have a Wife? Archaeology and Folk Religion in Ancient Israel, Grand Rapids 2005; – O. Keel en Chr. Uehlinger, Göttinnen, Götter und Göttessymbole (QD 134), Freiburg 1992; – M.C.A. Korpel, ‘Ugarit. De stad en zijn literatuur’, Schrift 197 (2001), 148-151; – M.C.A. Korpel, ‘Ugarit en de Bijbel’, Schrift 197 (2001), 152-155; – J.C. de Moor, ‘The Duality in God and Man. Gen. 1:26-27 as P’s Interpretation of the Yahwistic Creation Account’, in: J.C. de Moor (redactie), Intertextuality in Ugarit and Israel (OTS 40), Leiden 1998, 112-125. ■ 54 Schrift 230

Marjo C.A. Korpel

Geen opmerkingen: