30-04-2017

De Zeeuwse Godin Nehalennia


Een zoektocht naar de mogelijke verering van de Zeeuwse Godin
Nehalennia in het Engelse Kent in de Romeinse tijd, geschreven  door Wim-Bonis



Nehalennia verering in Engeland?

Zoals bekend, werd in Zeeland ooit de Godin Nehalennia vereerd. Het bewijs daarvan is geleverd door een tweetal vondsten. In 1647 zijn na een storm resten van een Gallo-Romeinse tempel met een aantal altaarbeelden die aan haar waren gewijd terug gevonden op het strand bij Domburg; en in
1970/1971 zijn veel vergelijkbare altaarbeelden van haar opgevist in de buurt van Colijnsplaat, waar ooit ook een tempel moet hebben gestaan. Alle altaarbeelden stammen uit de eerste eeuwen na Chr. en helaas zijn beide tempels met de altaarbeelden in de derde of vierde eeuw verzwolgen door de zee, waarschijnlijk na een hevige storm en overstroming. Dus heel lang hebben de tempels er niet gestaan, hooguit een paar honderd jaar. Maar dit zegt weinig over de verering van Nehalennia in deze kuststreek. De altaarbeelden zijn een typisch product van de Romeinse cultuur, maar zij geven een verering van een inheemse Godin weer, die al bestaan moet hebben voordat de Romeinen er kennis van kregen. Hoe lang precies, valt moeilijk te zeggen, omdat er geen archeologische vondsten zijn die ons iets daarover kunnen vertellen.

De behouden thuisvaart

Het is belangrijk hier te vermelden dat de altaarbeelden zijn opgericht door handelaren die Domburg of Colijnsplaat passeerden op weg naar Engeland en de Godin bedankten voor een behouden vaart. Zeker in die tijd moet varen over zee een een riskante onderneming zijn geweest, en het is eigenlijk logisch te veronderstellen dat deze handelaren na hun overtocht naar Engeland, aan de andere kant van de Noordzee dus, op een vergelijkbare wijze een plaatselijke Godin hebben bedankt voor de
behouden thuisvaart. Toch is er voor zover ik weet nog weinig onderzoek gedaan naar vereringspraktijken in de Engelse kuststreken, die vergelijkbaar zijn met die in Domburg en Colijnsplaat.

Het is natuurlijk niet erg waarschijnlijk dat alle handelaren overstaken naar dezelfde streek in Engeland. Toch werd mijn aandacht wat dit betreft al snel getrokken naar het zuidelijke Graafschap Kent. Daar zijn vooralsnog geen resten van tempels komen bloot te liggen die de link met Zeeland
direct zouden aantonen.1
Maar, zoals ik hieronder zal proberen duidelijk temaken, we treffen hier wel een aantal opmerkelijke  zaken aan die er volgens mij op duiden dat handelaren uit Zeeland hier aan land moeten zijn
gekomen. Ik begin mijn zoektocht met de ontdekking van een grot.

De Shell Grotto in Margate

Halverwege de 19e eeuw, in 1835 om precies te zijn, werd in de Engelse kustplaats Margate een  bijzondere grot toevallig ontdekt toen een groep schooljongens in het land vlakbij hun school (in Dane Hill) aan het graven waren. Een schop van een van de jongens viel opeens naar beneden. De
schoolmeester, James Newlove, liet zijn zoon naar beneden zakken, en toen bleek het dus om een grot te gaan, die zich op slechts twee meter diepte onder de huizen in de directe omgeving uitstrekte. Het bleek ook nog eens een hele bijzondere grot zijn, met een slangachtige gang waarvan de wanden op wonderbaarlijke wijze gedecoreerd waren met schelpen.
Daarmee waren allerlei symbolische figuren uitgebeeld, die op geen enkele wijze bleken te verwijzen naar het Christendom: sterrenbeelden, goden en godinnen, de maan, de zon, phalussen, slangen, bloemen, abstacte tekens, en een anatomisch correctie weergave van de vrouwelijke baarmoeder.2
De grot kreeg de naam Shell Grotto of Shell Temple.

Onvermeld in de bronnen

Na de vondst heeft men uiteraard geprobeerd te zoeken naar historische bronnen die melding maken van de grot, maar men heeft niets kunnen vinden, toen niet en later ook niet. Een dergelijke vondst zonder enige vermelding in geschreven stukken is zeldzaam, zeker als men bedenkt dat de grot zich slechts op twee meter diepte onder de huizen van een woonwijk bevond (en nog steeds bevindt). Zou het denkbaar zijn dat een geheim genootschap de grot heeft gecreëerd en dat het hen gelukt is het bestaan van

1 Net als in Zeeland lag in de Romeinse tijd de kustlijn een stuk verder in zee. Sinds de eerste
eeuw na Chr. is in Kent 600 meter van de kliffen door erosie verdwenen. D.R.J Perkins, ‘The
Roman archaeology of the Isle of Thanet’, Archaeologia Cantiana, Vol. 121 – 2001, p. 43-60.
2 Michael Howard, Earth Mysteries, Robert Hale, London 1990, p. 156. 


de grot geheim te houden? Helemaal in het geheim werken was zelfs in de tijd van voor het Internet en social media vrijwel onmogelijk. Rod LeGear geeft aan in zijn artikel over de Shell Grotto, dat men wat de oorsprong van deze grot betreft in alle richtingen heeft gezocht: prehistorisch, Romeins,
Fenicisch, 18e  eeuws, een 19e eeuwse ‘folly’.3 Omdat er niets is
opgetekend kan men aannemen dat de grot in de eeuwen voor de ontdekking niet bekend is geweest onder de bevolking. Dit maakt een recente oorsprong in de 18e  of 19e  eeuw vrij onwaarschijnlijk.

In Engeland is het creëren van ‘follies’ in grotten – het fantastierijk aankleden van grotten door mensen die er de tijd en het geld voor hebben – een bekende traditie. Maar omdat follies in de regel op een landgoed werden aangelegd (en niet onder een woonwijk) en de plek waar de grot is aangetroffen nooit tot een dergelijk landgoed heeft behoord, hebben we hier vrijwel zeker niet met zo’n folly te maken. Alles wijst erop dat we hier ten maken hebben met een schepping die in de 19e
 eeuw al honderden jaren oud moet zijn geweest, en mogelijk zelfs wel veel ouder.
 Duidelijk was al snel voor de onderzoekers dat ze hier niet met een grot te maken hadden waar mensen hebben gewoond. Alles duidde erop dat het een soort initiatieplek geweest moest zijn geweest. Maar initiatie van wie en waartoe?

Vanwege de rijke symboliek, de decoratie en ook de vormgeving van de ruimtes, is bijvoorbeeld gedacht aan de Tempeliers of Vrijmetselaars. Er is één belangrijk punt dat tegen de Tempeliers pleit:
zoals gezegd, blijkt er geen enkele christelijke symboliek – zoals bijvoorbeeld een christelijk kruis – te zijn terug gevonden in de grot. Alle symboliek blijkt duidelijk niet-christelijk te zijn en bij Tempeliers zou je wel wat christelijke symboliek verwachten.

Een oude oorsprong?

Daarom is ook gesuggereerd dat de Shell Grotto  - R.F. LeGear, The Margate Shell Grotto, MAAIS, AIFA, nr. 23. (te downloaden via www.kentarcheology.ac.) -  zou kunnen teruggaan tot het begin van onze jaartelling. Er zijn wel redenen om een oude oorsprong serieus te nemen en nader te onderzoeken. De streek blijkt bijvoorbeeld al heel lang te zijn bewoond. Er zijn genoeg resten aangetroffen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Alleen al in Thanet zijn (in 2001) 83 plekken geregistreerd waar overblijfselen uit de Romeinse tijd zijn aangetroffen. Daarvan worden er 3 aangemerkt als ‘Possible Shrine or Temple Sites’, waarvan 1 in Margate.4

 Interessant in dit verband is een recent onderzoeksrapport door Colin Baker over de archeologische vondsten in een grot en in mijnschachten bij Spratling Court Farm, Manston. De oorsprong van de grot plaatst hij in de Romeinse tijd en wat de functie betreft, vermoedt hij dat deze rituele
doeleinden heeft gediend, en dus heeft gefungeerd als een tempel. Bij wie er mogelijk vereerd zou kunnen zijn, denkt hij even aan de god Mithras, maar acht dit toch niet waarschijnlijk omdat de Mithras verering pas in de 3e eeuw doordrong tot die streek.

De mijnschachten die in de omgeving zijn aangetroffen, zijn, net als de andere in de streek, resten van oude mijnen waar in ieder geval tot in de Romeinse tijd krijt werd gedolven. In verband met dit delven van krijt wijst Baker op een vermelding daarover op een altaar van de Godin Nehalennia, die aan de andere kant van de Noordzee, in Zeeland, werd vereerd in de Romeinse tijd.5
 Hij haalt een vermelding van dit feit aan uit een boek uit 1868 van Charles Road Smith:
‘There is an interesting inscription which should not be forgotten in
connection with British chalk and marl. It is a dedication by a successful
dealer in British chalk who, in consequence of having prosperously
imported in the low country now known as Zealand (where the inscription
was found) his freights of chalk, discharged his vows to the goddess
Nehalennia.’

Dit altaar blijkt ooit te hebben behoord bij de tempel in Domburg, die in 1647 na een storm kwam bloot te liggen. De naam van de handelaar in krijt is ook bekend: hij heette Marcus Secundinius Silvanus. Baker wijst er op dat de Griekse geograaf Strabo nog geen melding maakt van handel in krijt vanuit Engeland naar het Europese vasteland, en daarom concludeert hij dat deze handel in krijt – zoals blijkt uit het Nehalennia altaar – pas na de tijd van Strabo op gang moet zijn gekomen.

4 D.R.J Perkins, ‘The Roman archaeology of the Isle of Thanet’, Archaeologia Cantiana, Vol.
121 – 2001, p. 43-60. De artikelen van Archeologia Cantiana zijn allemaal raadpleegbaar via
Internet.
5 Colin A.Baker, Investigation of an Iron Age pit and Roman cave at Spratling Court Farm,
Manston, Kent. (Dit rapport is te downloaden via www.kentarcheology.ac.) 


De vraag die in dit verband bij mij gelijk opkomt – en die Baker blijkbaar niet zo voor de hand vindt liggen – is: zou de vereerde godheid in de grot bij Spratling Court niet een Godin kunnen zijn geweest? Grotten zijn tenslotte als baarmoeder van Moeder Aarde al vanaf het Paleolithicum
geassocieerd geweest met Godinverering.

Nu begint waarschijnlijk ook duidelijk te worden waarom ik hierboven flink heb uitgeweid over de Shell Grotto. We kunnen ons tenslotte ook afvragen of deze grot ooit niet verbonden kan zijn geweest met een Godinverering. In het bijzonder denk ik dan natuurlijk aan Nehalennia. Ik ben niet de eerste die in die richting denkt. Michael Howard heeft de Shell Grotto ook verbonden met Godinverering.6
 Annemieke Witteveen, die op de website van Ancient Origins een tweedelig artikel aan de Shell Grotto heeft gewijd, meldt daarin dat ze bij haar bezoek aan de Grotto een sterk gevoel had dat er ooit een vrouwelijke kracht werd vereerd...7

Vermeldenswaardig is ook, dat in de grot symboliek is aangetroffen die verwijst naar de Godin.
Op de plattegrond van de Shell Grotto wordt een specifieke figuur aangeduid als de ‘Corn Goddess’ (zie de foto hiernaast). Verder is er in de grot veel andere symboliek aanwezig die verwijst naar de
natuur en vruchtbaarheid. Maar een directe verwijzing naar een verering van Nehalennia of een vergelijkbare Gallo-Romeinse Godin is er niet aangetroffen.8





De schelpsymboliek

Een belangrijke aanwijzing voor de connectie van de Shell Grotto met de Nehalennia verering zou gelegen kunnen zijn in de symboliek van de schelp. Deze symboliek was ook belangrijk bij de verering van Nehalennia. Op de altaren waarop zij zittend wordt uitgebeeld in een tempeltje wordt

6 Michael Howard, Earth Mysteries, Robert Hale, London 1990, p. 154 e.v.
7 Zie: http://www.ancient-origins.net/unexplained-phenomena-ancient-places- europe-opinionguest-authors/mysterious-shell-grotto-margate.
In deel 2 van dit artikel stelt zij: ‘During my
visit to the cave I had a strong feeling that a female power was worshiped in the cave.’
8 Op Internet vond ik wel een blogsite waarop een connectie wordt gelegd tussen de verering
van Nehalennia en de Shell Grotto: http://arsarteetlabore.blogspot.nl/2012/11/shell-grottomargate.html


altijd een grote schelp boven haar hoofd afgebeeld, fungerend als dak van het tempeltje. Deze wijze van uitbeelden van een schelp was zeker niet uniek voor Nehalennia, en een grote schelp als tempeldak is natuurlijk niet nog direct hetzelfde als de miljoenen echte schelpen die in de Shell Grotto tegen de muren zijn aangebracht als decoratie. Maar we moeten niet vergeten dat we niet weten hoe de muren van de Nehalennia tempels in Domburg en Colijnsplaat er ooit uit hebben gezien. Er zijn alleen spaarzame resten van die tempels terug gevonden, flink aangetast door het zoute zeewater.

Er wordt wel aangenomen dat ze leken op de Gallo-Romeinse tempels zoals die elders zijn aangetroffen. Maar de uitbeelding van de grote schelp op verwijzen naar een uitbundige de altaren zou natuurlijk best kunnen schelpendecoratie in de tempels. De verering van Nehalennia was dermate uniek dat niet valt uit te sluiten dat ook haar tempels enigszins hebben afgeweken van de standaard Gallo-Romeinse tempel. Maar ik moet natuurlijk gelijk toegeven dat dit allemaal nogal speculatief is.

Grotten en tempels

Een reden om de verering van een Godin zoals Nehalennia in de Shell Grotto af te wijzen zou gelegen kunnen zijn in het feit dat zij in Zeeland in door de mens gebouwde tempels werd vereerd, en niet in een grot. Maar goed, dan moeten we ons wel bedenken dat er in het moerassige deltagebied
aan de Nederlandse kust nooit grotten geweest zijn die voor dit doel gebruikt hadden kunnen worden. We kunnen natuurlijk niet weten of Nehalennia ook in een grot zou zijn vereerd, als die er geweest was. Maar het is in ieder geval wel bekend dat de spirituele beleving in een grot en die in een tempel niet heel erg ver van elkaar verwijderd zijn. De verering in tempels kan historisch gezien worden als een voortzetting van de verering in grotten. Daar waar geen grotten voorhanden waren – zoals in het
Nederlandse kustgebied – werd de mens altijd aangezet tot het imiteren van het baarmoederlijke grotgevoel. Bekend zijn natuurlijk de vele kunstmatig gecreerde Lourdes-grotten, waarvan er ook vele in Nederland zijn, die het grotgevoel van de oorspronkelijke Lourdes-grot in Frankrijk probeerden te evenaren.

9 Het verband tussen grotten en latere bouwwerken, waaronder tempels en kathedralen, werd
al in de 50/60’er jaren van de vorige eeuw gelegd door E.O. James: E.O. James, From Cave to
Cathedral, Thames and Hudson, London, 1965. 


Initiatie plekken

Een andere belangrijke aanwijzing voor een mogelijke Nehalennia verering in de Shell Grotto is gelegen in het feit dat – zoals Annine van der Meer recentelijk heeft betoogd in haar boek De Drie Dames uit Duitsland – de tempels van de (Duitse) Matronen en die van Nehalennia zeer waarschijnlijk ook dienst hebben gedaan als orakelplaatsen.10 De Noorse onderzoekster Maria Khilvaug onderschrijft dit inzicht: ‘The enthroned goddess has much in common with real-life women who performed an oracle, seated on a chair, high-seat or elevated platform.’11

Zoals we hierboven al hebben aangegeven, hebben onderzoekers aan de hand van de symboliek en de vormgeving van Shell Grotto geconcludeerd, dat deze waarschijnlijk heeft gediend als een plek voor initiatierituelen. Bij orakelplaatsen werden vanzelfsprekend ook initiatierituelen uitgevoerd...






Andere rituele grotten in Thanet

Maar misschien moeten we ons ook niet te veel blind staren op de Shell Grotto. Er zijn in Thanet namelijk ook andere rituele grotten aangetroffen, waarvan soms zelfs bekend is dat ze een oude oorsprong hebben, zoals die van Spratling Court die we hierboven al hebben vermeld. In dit verband is het vermeldenswaardig dat in het begin van de 19e eeuw in Margate nog een andere Shell Grotto is ontdekt, die overigens wel een hele andere lay-out heeft en door de onderzoekers indertijd in een Christelijke context is geplaatst. Deze plek is niet opengesteld voor bezoekers. In een plaatsje niet
ver van Margate, in St. Nicholas at Wade, is ook nog een rituele grot, een zo-genaamde ‘underground chapel’, ontdekt.12 Zoals hierboven al is aangegeven worden (in een artikel uit 2001) drie plekken in Thanet als mogelijke Romeinse tempels aangemerkt.13 En wie weet welke andere rituele grotten of andere plekken er nog ontdekt worden in Thanet? Ik denk dat het daarom zinvol is om het onderzoek niet te nauw af te bakenen en in bredere zin beide gebieden – Zeeland en de kust van noordoost Kent – met elkaar te vergelijken.

10 Annine van der Meer, De Drie Dames uit Duitsland. De Matronen en Nehalennia,
Moedergodinnen uit de Vaderlandse geschiedenis, PanSophia press, 2015, p. 108-112. Zie ook:
Annine van der Meer, Nieuw licht op Nehalennia. Over een Zeeuwse Moedergodin uit de
Vaderlandse geschiedenis, PanSophia Press, Den Haag 2015.
11 Maria Khilvaug heeft de studie’The Temple of Nehalennia at Domburg’ van Ada HondiusCrone
uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw op haar website van commentaar voorzien:
http://freya.theladyofthelabyrinth.com/?page_id=377. Haar master thesis over ‘the Goddess of
Initiation’ kan ook via Internet worden geraadpleegd:
https://www.duo.uio.no/handle/10852/23958?locale-attribute=en 



De mondingen van rivieren

Als we de gebieden vergelijken dan valt gelijk op dat beiden toegang boden tot een belangrijk rivier(en)gebied. De Nehalennia tempels lagen aan de monding van de Schelde, de Rijn en de Maas/Waal. En de noordoost kust van Kent, waaronder ‘the Isle of Thanet’ – tegenwoordig deel van het vasteland maar in de Romeinse tijd een eiland –, bevond zich relatief dicht bij de monding van de Thames.
Net als de plaatsen Domburg en Colijnsplaat lag het gebied van noordoost Kent direct aan zee, met een goede doorverbinding over water naar het achterland, en daarom is het heel goed denkbaar dat ook bepaalde plekken aan deze kust hebben gefungeerd als belangrijke vertrek- of aankomsthaven. Na de overtocht vanuit Zeeland was het vrij logisch voor schippers om even aan te leggen aan deze kuststreek, misschien ook om de vrachten over te laden, zodat deze via de Thames verder konden worden vervoerd naar het Engelse binnenland. En andersom, was het voor handelaren in Kent en het achterland van het toenmalige Londen ook wel logisch om vanuit de kust van noordoost Kent over te steken naar Domburg of Colijnsplaat, waarbij de Schelde, Rijn en Waal/Maas het weer mogelijk
maakte de vracht verder te vervoeren naar het Europese binnenland. En als er indertijd intensief verkeer tussen beide plekken heeft bestaan, dan is het natuurlijk ook aannemelijk dat de Nehalennia verering enige bekendheid moet hebben gehad in Kent.

12 Rod leGear, Underground Thanet. Quarries, Shelters, Tunnels and Caves, Trust for Thanet
Archaeology, Birchingron, 2012
13 D.R.J Perkins, ‘The Roman archaeology of the Isle of Thanet’, Archaeologia Cantiana, Vol.
121 – 2001, p. 43-60.


Handel in krijt en Marcus Secundinius Silvanus

Misschien wel de belangrijkste link tussen Zeeland en de noordoost kust van Kent is gelegen in de handel in krijt, waarover we hierboven al kort spraken. Kent is vanouds een gebied met heel veel krijt: met de beroemde krijtrotsen (‘the white cliffs’), krijtmijnen en handel in krijt.
 Ook noemden we al Marcus Secundinius Silvanus, de handelaar die op een Nehalennia altaar wordt vermeld (hieronder verder aangeduid als MSS).
Als we hem en zijn rol eens wat nader beschouwen, worden er – vanwege het feit dat hij mogelijk een handelaar in krijt was – interessante vragen opgeroepen in verband met de mogelijke verering van Nehalennia op het Britse grondgebied. Allereerst blijkt deze handelaar een hele belangrijke
figuur te zijn geweest in de toenmalige handel. Hij blijkt namelijk niet alleen in Domburg een altaar te hebben opgericht voor Nehalennia. Bij de vondst in de zeventiger jaren van de vorige eeuw bij Colijnsplaat is namelijk een tweede altaar van hem uit het water gehaald. MSS is de enige
handelaar van wie twee altaren zijn terug gevonden, hetgeen duidt op de
belangrijke status van deze handelaar.14


 In dit verband is het belangrijk te vermelden dat de Engelse en Nederlanse interpretatie van de opschriften op de altaren, met betrekking tot de afkomst en de handelswaar van MSS, grondig van elkaar te verschillen.
In tal van oude Engelse boeken (waarvan de teksten tegenwoordig vaak geraadpleegd kunnen worden via Internet) wordt aan de hand van het gevonden Nehalennia altaar van MSS uit Domburg een directe link gelegd tussen het delven van en de handel in krijt uit Kent, en de verering van
Nehalennia. Hierboven hebben we daar al een voorbeeld van gegeven. Een andere voorbeeld is een boek van R.B. Watts uit 1820. Hij brengt Nehalennia direct in verband met de mensen die werken in de krijt mijnen:
‘These mines are remarkable for their antiquity, the Heathens having a
Deity named NEHEELENNIA, the goddess of chalk workers. The walks
among these vast subterraneous caverns are much visited, being very
romantic, and the landscape from the hill delightful.’15 Verbazingwekkend
is dat zij in die Engelse boeken soms wordt aangeduid als de ‘goddess of

14 P. Stuart, Nehalennia. Documenten in Steen, De Koperen Tuin, Goes 2003, p. 58.
15 R.B. Watts - The Margate Steam Yachts' Guide, or a Topographical Description of the
Principal Buildings, Towns, Villages, Seats, &C.,&C., Between London and Margate; With a
Brief Sketch of the Isle of Thanet, 1820, p. 57. (Raadpleegbaar via Internet) 
10chalk workers’ of ‘goddess of chalk merchants’.16

Wij weten nu dat Nehalennia veel meer was dan een Godin van krijtdelvers of –handelaren.
Als dit inzicht alleen is gebaseerd op dit ene Nehalennia altaar (hetgeen we overigens niet zeker weten), dan kunnen we dit als een foute interpretatie eenvoudig terzijde schuiven.
 Maar nog interessanter wordt het als we de Nederlandse interpretatie er naast leggen. Volgens de Nederlandse onderzoekers komt MSS helemaal niet uit Engeland, en handelde hij ook al niet in krijt.

Hier wordt hij gezien als een handelaar met een Keulse achtergrond, die aardewerk vanuit het
Europese vasteland naar Engeland verscheepte.17 De naam Secundinius zou verwijzen naar een bekende familie uit Keulen, en de vermelding negotiator cretarius Britannicianus zou zoiets betekenen als ‘aardewerk handelaar op (het toenmalige) Britannie’.18 Dus in de oude Engelse teksten is hij een handelaar uit Britannie en in het Nederlandse onderzoek een handelaar op Britannie. En zoals gezegd, verscheepte hij volgens de Engelse onderzoekers krijt, en volgens de Nederlandse onderzoekers aardewerk. Een groot verschil. Wie heeft er hier gelijk?


Handel van twee kanten bekeken

Het lijkt vanzelfsprekend dat we de Nederlandse onderzoekers het voordeel van de twijfel moeten geven. Zij baseren zich namelijk op kennis die bij het schrijven van de oude Engelse boeken (in de 18e  en 19e eeuw) nog niet bekend was. Maar toch vraag ik me af of er nog niet een andere bron is
geweest die de Engelse schrijvers deed besluiten tot vaststellen van een Nehalennia verering op Britse bodem. Als die er is, dan heb ik die nog niet gevonden.

Het verschil in interpretatie van dat kleine stukje tekst roept in ieder geval wederom de vraag op of Nehalennia wellicht ook in Engeland zou kunnen zijn vereerd. Nemen we niet te gemakkelijk aan dat de handelaars die de altaren hebben opgericht bij Domburg en Colijnsplaat in de regel van het Europese vasteland komen? De focus lijkt volledig en eenzijdig gericht op de handelsactiviteiten vanuit het Europese vasteland op Engeland. De teksten op de altaren geven daar natuurlijk ook wel aanleiding toe, maar er moeten toch ook wel activiteiten tot ontwikkeling zijn gekomen
in omgekeerde richting, door Britse handelaars? Het lijkt me in ieder geval aannemelijk dat het krijt uit de Britse krijtmijnen ook naar het Europese vasteland is vervoerd (zoals in de Engelse boeken wordt vermeld). Zij voeren vanuit Kent toch zeker niet met lege boten terug naar Domburg of
Colijnsplaat? En mogen we ook niet aannemen dat er in noordoost Kent, net als in Zeeland, ook havenplaatsen moeten zijn geweest met een tempel waar de handelaars een Godin wilden bedanken voor de riskante overtocht?

16Michael Howard, Earth Mysteries, Robert Hale, London 1990, p. 156-157.
17 P. Stuart, Nehalennia. Documenten in Steen, De Koperen Tuin, Goes 2003, p. 78-79.
18 P. Stuart, Nehalennia. Documenten in Steen, De Koperen Tuin, Goes 2003, p. 78, 82. 


De Keltische connectie

Die eenzijdige blik naar het Europese vasteland zien we ook bij het zoeken naar de culturele wortels van de Nehalennia verering. Men zoekt daarvoor nog steeds vrij vanzelfsprekend in het oosten en het zuiden, kortom over het Europese vasteland, en negeert daardoor naar mijn idee grotendeels en ten
onrechte de mogelijke culturele beinvloeding vanuit het westen, over zee.
Het is allereerst bekend dat in de prehistorie de culturele en handelscontacten veel meer over water plaatsvonden dan over land.19 Daarnaast is het zo dat het zoeken naar de wortels van Nehalennia in
oostelijke of zuidelijke richting werd ingegeven door het feit dat men aannam dat de Nehalennia verering of van Germaanse oorsprong of van Romeinse oorsprong was.

De afgelopen decennia is het steeds duidelijker geworden dat de Keltische cultuur veel sterker aanwezig is geweest aan de Nederlandse kust dan voorheen werd gedacht. Onderzoekers hebben
ontdekt dat aan de kust ooit het zogenaamde ‘Noordzeekeltisch’ werd gesproken.20 Daarnaast gaat het er ook steeds sterker op lijken dat de belangrijkste culturele invloed op Nehalennia niet gezocht moet worden in de Germaanse of Romeinse wereld, maar in de Keltische wereld. De Engelse onderzoekster Miranda Green plaatst wat dit betreft Nehalennia al jaren in een Keltische context.21 Recentelijk is duidelijk geworden dat de naam van Nehalennia toch het meest waarschijnlijk van Keltische oorsprong is. De taalkundige onderzoeker Peter Alexander Kerkhoff heeft vastgesteld dat het hier gaat ‘om een Keltische godin die aan de Keltisch sprekende kust van Nederland en België in de Romeinse tijd aanbeden werd.’22

19 Barry Cunliffe, Facing the Ocean. The Atlantic and its People, Oxford University Press,
2001.
20 Zie L. Toorians, ‘Kelten aan de Nederlandse kust. Noordzeegermaans begon met Noordzeekeltisch’,
Spiegel Historiael 36 (2001) nr. 3, die een heel artikel aan dit onderwerp heeft
gewijd.
21 Miranda Green, Celtic Goddesses. Warriors, Virgins and Mothers, British Museum Press,
London 1995; Miranda Green, The Gods of the Celts, Bramley Books, Godalming 1986. 


Deze kennis maakt het ook minder vergezocht om voor de oorsprongvan haar verering niet zozeer de  blik naar het oosten of zuiden te richten, maar juist naar het westen. Wie weet heeft een aantal handelaren of gewoon reislustige avonturiers uit de Britse eilanden ooit wel een poosje vertoefd
aan de Zeeuwse kust onder de toenmalige Menapiërs en een belangrijke impuls geleverd aan de Nehalennia verering. Wie zal het zeggen?

Die Keltische achtergrond kan er natuurlijk ook op wijzen dat de Nehalennia verering een echt inheemse, Zeelandse oorsprong heeft, en al heel lang met deze specifieke kuststreek verbonden is geweest.

De Cantiaci

Er valt nog iets meer te zeggen over de Keltische connectie. Kent heeft haar naam te danken aan de Keltische stam de Cantiaci. Deze stam blijkt van Belgische afkomst te zijn, en is verwant aan de continentale Belgae stammen, waarvan sommige zich ooit gedeeltelijk in Engeland hebben
gevestigd. De Menapii, die in het zuidelijke kustgebied van Nederland – waaronder Zeeland – en in het kustgebied van België hebben gewoond, worden ook tot die Belgae stammen gerekend. We moeten niet vergeten dat Julius Caesar het was opgevallen dat de gebruiken van de Cantiaci erg leken
op die van de stammen op het vasteland. Norman Mongan heeft een interessant boek geschreven over de Menapii, met name over de connectie met en de culturele invloed op Ierland, waar de naam nog doorklinkt in veel plaats- en streeknamen. Maar hij vermeldt ook wel een paar dingen die van
belang zijn voor ons thema.

Over de connectie tussen Zeeland en de Menapii zegt hij het volgende: ‘Watts Peyster quotes Eyndius, a Zeelandic historian (1575-1614) who stated that the Zeelandic islands – as shown
from the writings of Strabo and Caesar – were under the jurisdiction of the
Menapii’.’23 22 Peter Alexander Kerkhof, ‘Nehalennia. Taalkundige oplossing voor een Zeeuws raadsel.’, in Neerlandistiek, 25oktober 2016:
http://www.neerlandistiek.nl/2016/10/nehalennia-taalkundige-raadsels-van-een-zeeuwse-godin/
23 Norman Mongan, The Menapia Quest. Thousand years of the Menapii: seafaring Gauls in
Ireland, Scotland, Wales and the Isle of Man, 2016 BC – 1900 AD. The Herodotus Press,
Dublin 1995, p. 8.



Volgens Mongan kende deze stam een lange zeevaartstraditie, die o.a. vanuit Domburg gericht was op Engeland: ‘The tribes of the Venetii, Santones, Menapii and Morini were the leading mariners on the coast of Gaul. As far back as the Hallstatt period , and possibly even earlier, there had been an important trade with the British Isles and the seafaring Gaulish tribes acted as intermediaries in this traffic with the Mediterranean world.
The most important cross-Channel routes went from Rouen to Clausentum (near modern Southampton) and from Boulogne to Dover. Another busy route led from Nijmegen, Fectio and Domburg near the mouth of the Rhine, to the east coast of Britain and on to London. The original export product of the north Gaul coast was amber, which was then transported to the
Mediterranean by the Phoenicians.’24

Dit laatste is vermeldenswaardig omdat – zoals in de volgende paragraaf wordt duidelijk gemaakt – het contact met de Feniciers ook sporen heeft gelaten in Kent. Alhoewel voor zover ik weet de naam van de Menapii (nog) niet in Kent is terug gevonden, mag je er bijna vanuit gaan dat er
vanwege de culturele verwantschap regelmatig onderling contact moet zijn gebleven tussen de Cantiaci en de Belgae stammen op het Europese vasteland.


The Isle of Thanet

Het is zinvol om nog even verder in te gaan op de naam van één van de plekken waar de handelaren mogelijk ooit vertrokken en weer voet aan wal hebben gezet, ‘the Isle of Thanet’.
Interessant is dat men sterke vermoedens heeft dat de naam Thanet verwijst naar een Godin, en wel Tanit, de maangodin van de Feniciers die ooit handel dreven op deze streek. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw is al beargumenteerd door Conan en Nellie Shaw in hun boek The Shell Temple in Margate, dat de symboliek in die grot van Margate zou terug gaat tot de leringen van Pythagoras (die ooit door de Feniciers naar Engeland zijn meegenomen), dat de grot verbonden

24 Norman Mongan, The Menapia Quest. Thousand years of the Menapii: seafaring Gauls in
Ireland, Scotland, Wales and the Isle of Man, 2016 BC – 1900 AD. The Herodotus Press,
Dublin 1995, p. 10.


was met de verering van Baal en Astarte, en de symbolische representatie was van het Heilige Huwelijk tussen de zon en de maan, gepersonifieerd door een God en Godin.25 Als deze link bestaat, dan is het denkbaar dat het omringende eiland naar een Fenicische Godin is genoemd.

In een recente blog van Caitlin Green wordt betoogd dat het verband tussen Thanet en de Godin Tanit zeker wordt ondersteund door archeologisch onderzoek. De aanwezigheid van Feniciërs wordt o.a. aangetoond door de vondsten van Carthaagse munten (Carthago was één van de steden die door de Feniciërs is gesticht). Nu is het zo dat in noordoost Kent relatief veel meer Carthaagse munten zijn gevonden dan in de rest van Engeland, hetgeen er op duidt dat de Feniciers hun handel met
Engeland concentreerden in dit gebied.26 Dat Godin(nen)verering heeft bestaan in de streek blijkt ook uit vondsten van flink wat Godinnebeeldjes, waarover in een volgende paragraaf meer.


Immigratie vanaf de Bronstijd

Naast de vondst van de Carthaagse munten duidt ook een vrij recente ontdekking van een grafveld van aanzienlijke omvang uit de Bronstijd bij Pegwell Bay, iets ten zuiden van Margate, dat Kent al in de prehistorie een gebied was waar veel mensen neerstreken uit verre oorden. In dat grafveld werden niet alleen skeletten van Britten aangetroffen, maar ook van Scandinaviërs en mensen uit Zuid-Europa. Kent blijkt dus al heel vroeg een immigratiegebied bij uitstek te zijn geweest.27 De vondst van resten van Zuid-Europeanen uit de Bronstijd kan trouwens ook helpen om de associatie
tussen Thanet en Tanit nog aannemelijker te maken.

Het is bekend dat later in de Romeinse tijd die immigratiestroom continueerde, al vanaf het moment dat de Romeinen vanuit het Europese vasteland via Kent voor het eerst voet aan wal zetten in Engeland. In vergelijking met de rest van noordoost Kent is in Thanet een relatief grote concentratie Romeinse villas aangetroffen.28 Dus afgezien van de afstand over zee, is het ook heel goed denkbaar dat de Romeinse handelaren die vanuit Domburg of Colijnsplaat overstaken naar Engeland juist hier, in deze sterk geromaniseerde streek, aan wal gingen. En mede natuurlijk vanwege het feit dat zich hier ook gewilde handelswaar bevond, waaronder het eerder genoemde krijt.

25 Michael Howard, Earth Mysteries, Robert Hale, London 1990, p. 156-157.
26 Caitlin Green - Thanet, Tanit and the Phoenicians: Place-Names, Archaeology and PreRoman
Trading Settlements in Eastern Kent? – 21 april 2015:
http://www.caitlingreen.org/2015/04/thanet-tanit-and-the-phoenicians.html)
27 Alice Philipson, Britain was a nation of immigrants in the Bronze Age, Telegraph, June
2013. Dit artikel staat op de website van de Telegraph.
28 Colin Andrews, ‘Romanisation: A Kentish Perspective’, Archaeologica Cantiana, Vol. 121
– 2001, p. 25-42. 



Van de Dea Nutrix verering naar Nehalennia

Onderzoek heeft uitgewezen dat er diverse Godinnen zijn vereerd in het graafschap Kent. In deze streek is bij Springhead, bijvoorbeeld, in de 50er jaren van de vorige eeuw een figurine van een Godin gevonden die ‘the Celtic Venus’ werd genoemd..29 Bij Oak Tree Farm in Rodmersham is in 1960 een ‘fertility symbol’ gevonden, waarvan ik niet heb kunnen achterhalen hoe oud het beeldje moet zijn en waar het zich momenteel bevindt, maar zou heel goed een inheemse voorstelling
van een Godin kunnen zijn (zie de afbeelding rechts).30  Tijdens mijn bezoek aan Kent zag ik in ‘the
Roman Museum’ in Canterbury een paar GalloRomeinse figurines die ik vaker heb gezien in de
musea op het Europese continent: beeldjes van een Godin die twee babies op haar schoot heeft en die
bekend staan onder de noemer Dea Nutrix.

Omdat ik er meer over wilde weten zocht ik op Internet en daar stuitte ik op een artikel uit 1957 van Frank Jenkins over de Dea Nutrix verering in Kent. Het bleek dat deze verering zich met name heeft
geconcentreerd in het oosten van Kent. Jenkins vermoedde dat achter deze Dea Nutrix verering de verering van een inheemse Godin schuil ging en dat haar aanwezigheid duidde op belangrijke
culturele links tussen Kent en het Europese vasteland, Gallië.31

29 Michael Howard, Earth Mysteries, Robert Hale, London 1990, p. 159.
30 De foto van het beeldje trof ik aan in: Lesley Peaks, Woodstock. An Archeological Mystery,
Geerings of Ashford ltd, Ashford 2001, p. 87.
31 Frank Jenkins, The Cult of the Dea Nutrix in Kent, Archaeologia Cantiana, Vol. 71 1957, p.
38-46.


Maar nog boeiender wordt het wanneer Jenkins in het laatste deel van zijn artikel verwijst naar de verering van Nehalennia. Een jaar eerder, in 1956, blijkt hij een artikel te hebben geschreven waarin hij een naamloos Godinnenbeeldje met een hond op schoot, dat is gevonden in Canterbury, associeert met Nehalennia. Dergelijke beeldjes zijn vooral bekend uit Trier en omgeving.32 En omdat er in die streek ook grotere altaarbeelden zijn aangetroffen van een naamloze Godin met een fruitmand en hond aan haar zijde – die volgens Jenkins als Nehalennia moeten worden geidentificeerd – ziet hij een goede reden om ook de pijpaarden beeldjes met de hond op schoot met haar te identificeren.33 Het is bekend dat een aantal handelaren die een altaar voor Nehalennia hebben opgericht in
Zeeland ook uit Trier kwamen. We moeten ons hierbij wel bedenken dat Jenkins zijn artikel in 1956 heeft gepubliceerd, toen alleen de Nehalennia vondst uit Domburg bekend was. Wat zou hij hebben gezegd als hij de grote vondst bij Colijnsplaat uit de 70er jaren van de vorige eeuw had gekend?


Nehalennia verering in Engeland?

Ondanks het feit dat de handelaren die ooit een altaar hebben opgericht voor Nehalennia in Zeeland vrijwel zeker aan wal zijn gegaan in het graafschap Kent, moeten we toch voorzichtig zijn met het aannemen van haar verering op Engelse bodem. We moeten bij het hele bovenstaande verhaal niet
vergeten – en dat is essentieel – dat Nehalennia, zoals zoveel andere inheemse Godinnen, nauw verbonden was met de streek waar zij werd vereerd. Dat was ook de reden waarom de Romeinen haar naam intact lieten en niet hebben omgezet naar een Romeinse equivalent. Er waren natuurlijk
ook wel Godinnen van wie de naam zich kon verspreiden over een groot gebied – zoals bijvoorbeeld met Isis, Cybele, en misschien ook met Tanit is gebeurd – maar dit neemt niet weg dat ook bij die Godinnen de diepe verbondenheid met de directe omgeving altijd heel belangrijk bleef. Zonder
wortels in de lokale bodem blijft een Godin vrij betekenisloos.
 Als we terug gaan tot de oorsprong, dan moeten we ons voorstellen dat de Godin nog niet antropomorfisch werd voorgesteld, en nauw verbonden werd ervaren met het (heilige) landschap. Voor de prehistorische mens – die anders dan de moderne mens een echt ‘buitenmens’ was – manifesteerde haar aanwezigheid zich via het landschap, was zij één met dit landschap dat

32 Het museum Valkhof in Nijmegen heeft ook een Dea Nutrix beeldje in zijn collectie.
33 Frank Jenkins, ‘Nameless or Nehalennia’, Archaeologia Cantiana, Vol. 70 1956, p. 192-200. 


zich in de nachtelijke uren uitstrekte tot de hele omringende kosmos met haar vele cycli, waarin hij of zij zich volledig voelde opgenomen. Uit die overweldigende, spirituele beleving kwam haar verering voort. In de naam van de Godin klonk vaak nog iets door van het specifieke landschap, en daarom betekende de worteling van een Godin(nen)verering in een andere streek – bijvoorbeeld als een volk zich vestigde in een nieuwe streek – ook niet zelden een verandering van naam. Er is door onderzoekers ook vaak op gewezen dat de specifieke namen waaronder de Godin bekend is geworden
in feite slechts de vele titels waren, waarmee zij werd aangeduid op lokaal, inheems niveau.

Volgens Peter Alexander Kerkhof wijst het feit dat ‘Dea’ (Godin) altijd voor de naam van ‘Nehalennia’ werd geplaatst bij de altaarinscripties, erop dat ‘Nehalennia’ een attribuut is van de Godin, m.a.w. een titel, die verwijst naar een lokale manifestatie van de Godin en dus niet haar ‘echte naam’ weergeeft.34 Als dit zou is, dan is het denkbaar dat de Godin aan de kust van Kent onder een andere naam werd vereerd.

Er zijn in ieder geval genoeg aanwijzigingen dat de Nehalennia verering bekend geweest moet zijn in Kent. Vanwege het drukke handelsverkeer tussen Zeeland en Kent is het zo goed als zeker dat we in beide streken met dezelfde (Godin)vereerders te maken hebben gehad. Er heeft daardoor intensieve culturele uitwisseling plaats gehad, van het vasteland naar Engeland maar ook andersom – een uitwisseling die ook uitdrukking moet hebben gekregen in hun beleving van de Godin. Maar ondanks de vele interessante dingen die ik tijdens mijn zoektocht op het spoor ben gekomen, durf ik nog niet daaruit af te leiden dat deze Godin ook onder de naam van Nehalennia werd vereerd. Voordat er spectaculaire vondsten uit de bodem komen die ons meer kunnen vertellen, moeten we voorlopig hiermee tevreden zijn.

 Leiden, 08-01-2017

34 Peter Alexander Kerkhof, ‘Nehalennia. Taalkundige oplossing voor een Zeeuws raadsel.’, in:
Neerlandistiek, 25 oktober 2016; zie ook: Simon Brighton & Terry Welbourn, Echoes of the
Goddess. A quest for the Sacred Feminine in the British Landscape, Ian Allan Publishing,
Hersham 2010, p. 126; Apuleius schreef al in De Gouden Ezel, dat er slechts één Godin was,
Isis, en alle andere Godinnen in feite aspecten waren van deze ene Godin.

http://www.wimbonis.nl/wp-content/uploads/2018/04/Nehalennia-verering-in-Engeland-maart-2017.pdf

Geen opmerkingen: