03-11-2016

Inwijding in de seizoenen van de Grote Moeder


Er was eens... Sprookjes, mythen en heilige verhalen vertellen over een gouden tijd, heel
lang geleden, waarin de mens nog kind aan huis is bij de Koning en de Koningin van de
hemelen, bij de Vader en de Moeder in een wereld van licht. Het zijn gouden tijden waarin
de mens volkomen gelukkig, heel of heilig is. Naar die innerlijke staat blijven we op zoek.
Sprookjes, mythen en heilige verhalen zijn in de kern dan ook inwijdingsverhalen.


Een inwijding is een dramatisch moment, zowel in het sprookje als het eigen leven. Er volgt
een moment van vrije keuze, een ‘uitgaan in een donkere kosmos om die met licht te vullen’.
De afdaling begint. In de esoterische traditie (dus ook bij Steiner) bekleedt de mens zich bij
de afdaling door de hemelsferen met diverse zielelichamen. Op aarde hult hij zich in een
grofstoffelijk lichaam, en vergeet vervolgens het land van licht waaruit hij is afgedaald. De
mens valt in slaap. Hij verliest het bewustzijn een koningskind te zijn uit het land van licht.
Dit ‘in slaap vallen’ is een langzaam proces van het verbreken van de verbinding met het
goddelijk bewustzijn – een steeds verder verdichten en materialiseren, waarbij het besef
licht te zijn, verdwijnt.

Zilveren tijden
Nu zijn er tijdens dat proces van geleidelijke verdichting oude culturen geweest waar men
beseft heeft uit de gouden tijd gevallen te zijn, maar er nog sterk mee verbonden blijft – de
culturen uit de zilveren tijd. Wanneer je gouden en zilveren tijden in een historisch kader
plaatst, valt de gouden tijd in de periode van de voedsel verzamelaarsters en jagers van uit
het Stenen tijdperk van voor 10.000 voor Christus. De zilveren tijd breekt aan met de vroege
en hoge landbouwculturen van 10.000–3000 voor Christus. Het is een tijd van vrede en
harmonie.

Bronzen en ijzeren tijden
Daarna zakt het menselijk bewustzijn in Brons – en IJzertijd steeds verder in de vergetelheid
weg. Het valt dieper in slaap. De vanzelfsprekende, helderziende band met de ‘goden’ wordt
verbroken. Dat proces leidt er tot op heden toe dat mensen zichzelf ervaren als afgescheiden
van het geheel, waardoor ze zich egoïstisch en materialistisch gedragen en elkaar
beoorlogen, zonder te beseffen dat ze kinderen van licht en dus familie van elkaar zijn.

Oorlog is niet van alle tijden, die begint vanaf 3000 v. Chr. wanneer er in bepaalde gebieden
een toenemende schaarste en uitdroging ontstaat. En dat gebeurt het eerst in Azië en het
Midden – Oosten vanaf de Bronstijd rond 3500 v. Chr. Met bronzen en ijzeren tijden
verschijnen bronzen en ijzeren wapens in de graven en op de teruggevonden kunst. Het hart
van de mensen begon te verharden, zoals de aarde in deze gebieden begon te verstenen. Dit
Donkere Tijdperk of Kali Yuga werd ook door Rudolf Steiner waargenomen - een periode van
5000 jaar waarin de van oorsprong helderziende mens afgesloten raakt van de goddelijke
wereld, om zijn zelfbewustzijn te ontwikkelen aan de materie. Volgens Steiner liep dit
tijdperk af in 1899. Daarvoor was er vrede en eenheid, maar zonder zelfbewustzijn.
                                                                       
Inwijding
In de zilveren tijd is de inwijding het middel om de ziel in het jonge lichaam te leren waar het
in het aardse leven werkelijk om draait. Wat je zaait, zal je oogsten. Jonge mensen leren
gouden karaktereigenschappen te ontwikkelen waar aarde en mensheid beter van worden –
als je veel zaait, groeit de eigen zielskracht als een waterlelie uit de vruchtbare modder. De
zilveren tijd is de tijd van de Grote Moeder die haar kind inwijdt in het aardse leven. Uit deze
tijd stammen sprookjes over Vrouw Holle en Baba Jaga. Beide figuren zijn in de latere
patriarchale Brons- en IJzertijd verhekst, dat heeft wetenschappelijk onderzoek
onomstotelijk aangetoond.

In plaats van kinderen in te wijden met levenslessen en zich over hun lot te ontfermen, ontwikkelen zij zich in latere tijden tot demonische gedrochten, rovers en kwellers van kinderzieltjes. Deze sprookjes moeten teruggeschreven worden naar oorspronkelijker versies, die de inwijding weer centraal stellen, in plaats van de bijbehorende angst. Deze vervorming toont aan hoe de mensheid in slaap valt en zich de Grote Moeder alleen nog als monster kan voorstellen.
In het katholieke Christendom krijgt Eva, de vrouw, vervolgens de schuld van de zondeval. Nog dagelijks ontmoeten we de vrouwvijandige kanten van de drie monotheïstische wereldgodsdiensten, waarin alleen de Vader of man erkend wordt.

Opgravingen van kunst uit de Oude en Nieuwe Steentijd en ookvan latere teksten tonen echter aan dat er een androgyn, ofwel vrouw-mannelijk godsbeeld was, voordat de traditie deze vervalste tot uitsluitend mannelijk. Dit beeld zou moeten worden aangepast in een herschreven godsdienstgeschiedenis, die recht doet aan de werkelijkheid.

                       
                                                    De drie Fates met de levensdraad, 1510-1520, een Vlaams wandtapijt. 
                                                                                  Te bezichtigen in het Victoria and Albert Museum in London.

De seizoenen in wit, rood en zwart
Vrouw Holle, Eva en Maria waren oorspronkelijk inwijdsters. Elk van hen draagt de kleuren
wit, rood en zwart. In die drie kleuren stappen ze door de seizoenen.
Wit staat voor het licht dat in de lente opnieuw de aarde kust, warmt en opent.
Rood staat symbool voor vruchtbaarheid, levenskracht en seksualiteit, voor het huwelijk tussen de lichte Hemel en de donkere Aarde.
Zwart staat symbool voor het afbreken en opruimen in de herfst en de winter, en de ultieme wijsheid die daarmee gepaard gaat.

En dan zijn er jaarlijks die heilige nachten tussen de winterzonnewende en 6 januari, waarin
de verbinding tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld flinterdun is. Vrouw Holle haalt
de zieltjes van ongeboren kinderen uit de hemelen en de mooie onderwereld en brengt ze
naar hun aardse moeders. Baba Jaga, de Russische Holle, heeft daarom soms lange
ooievaarspoten. De Grote Moeder heeft hemelse vogelkenmerken en (onder)aardse,
vruchtbare slangenkenmerken.
                             

In de Holle-verhalen transformeert de Grote Moeder zich in de lente tot de lichte, hemelse
maagd Holle, in de zomer tot de rode Hulda die een Heilig Huwelijk sluit – en in de herfst tot
de zwarte Helle of Hel. Om zich dan, in die periode van de dertien heilige nachten, te
manifesteren als Grote Moeder of Vrouw Holle. (nehalenia...)

Hetzelfde geldt voor Baba Yaga. Hun natuurlijke, ‘zwarte’ doodsaspect, ofwel de afbraak van het niet levensvatbare, zijn later losgemaakt uit de seizoenscyclus en zo verhekst. Men kon dit wilde aspect steeds minder begrijpen, omdat de moderne, rationele beschaving steeds verder van de natuur af kwam te
staan.

Ook de christelijke Maria toont in haar verschijningsvormen de driekleur wit-rood-zwart.
Vooral in de religieuze kunst zien we de drie Maria’s.
Als eerste is daar de lichte, blanke Maria, de hemelse en onbevlekte jonge maagd.
De tweede Maria is de in rood gehulde, en in de schilderkunst vaak zwanger afgebeelde Maria Magdalena. Veel onderzoekers denken dat zij de geliefde of zelfs bruid van Jezus was.
En als derde is daar de zwarte Madonna.
De lichte Maagd Maria is in het traditionele christendom ‘opgehemeld’ en verliest daardoor het contact met de aarde.  De rode Maria Magdalena is de geschiedenis ingegaan als een bekeerde prostituee – en de Zwarte Madonna is eerst verdonker-maand en later netjes witgewassen.

Inwijding in de seizoenen
In de zilveren tijd zijn er inwijdingen op belangrijke overgangsmomenten in de vier
seizoenen. Het gaat om geboren worden, vanuit de moederlijke, donkere grot of
baarmoeder rond Kerst. In het voorjaar treden we vanuit het duister naar buiten, om
gedoopt te worden in het licht van de wereld. In de zomer sluiten we een heilig huwelijk
tussen licht en donker in onszelf. Daarna dalen we zonder angst af in het donker, om ons van
het licht in onszelf bewust te worden – en daar werkelijk op te vertrouwen. Het gaat dus om
het sterven van het uiterlijke zelf en wedergeboren worden in onze eeuwige lichtkern.

Dat wat in zilveren tijden gemeengoed is, wordt in latere Brons- en IJzertijd iets heel
geheims, priesterlijks en elitairs. Inwijdingen in die tijd vereisen een absolute
geheimhouding. In Eleusis waren de mysteriën weliswaar voor iedere ‘vrije Griek’
toegankelijk, maar stond de doodstraf op het openbaren ervan. In de lente vonden de kleine
mysteriën plaats rond het zaaien en in de herfst de grote mysteriën rond het oogsten. De
inwijdeling daalde af in de aarde; het geheel duurde drie dagen. De kern van deze geheime
mysteriegodsdienst was dat de inwijdeling in de diepte van het onderaardse drie dagen
‘dood’ blijft.

In deze doodsslaap legt de mens contact met het licht van het goddelijke in zich,
verpersoonlijkt door de Grote Moeder, Demeter, Isis of Inanna, die het nieuwe verlichte
bewustzijn als het ware baart. De inwijdeling wordt in een staat van verhoogd bewustzijn
gebracht. Hierdoor kan men diep in zichzelf afdalen en zich de gouden tijd herinneren
waarin men kind van het licht was, een koningskind. Dat besef maakt een einde aan de
gevangenschap in de aardse vergankelijkheid. Contact met de ingeboren geest en met de
onzichtbare zielenomhulsels brengen het besef eeuwig te leven. Zo wordt de mens
wedergeboren in het lichtlichaam.

Inwijding in het Paasfeest
In wezen vertoont het esoterisch christendom alle kenmerken van een mysteriegodsdienst.
En antieke mysteriegodsdiensten uit Griekenland, Soemerië en Egypte, komen voort uit de
inwijdingstraditie van landbouwculturen uit de zilveren tijd.

Met Pasen vieren we de dood en opstanding van de Christus. Op Paaszaterdag gedenkt het
orthodoxe christendom dat Jezus de Christus diep in de aarde afdaalt: men komt al zeer
vroeg naar de kerk en bonkt met houten stoelen en op banken om de duivel schrik aan te
jagen. Het is een kabaal van jewelste. De priester beukt op de kerkdeur die nu even de poort
van de onderwereld voorstelt. De mensen zien voor zich hoe Christus de verduisterde zielen
naar boven brengt! Hun lichtlichaam is door misstappen zo verzwaard dat ze de reis omhoog
door de sferen, terug naar het huis van God, niet meer kunnen maken. Christus bevrijdt ze
en zorgt dat ze huiswaarts kunnen keren. Nu herinneren ze zich ook hun kindschap van het
licht – en de heiligheid van hun diepste zelf.

Dat is de diepere zin van het Paasmysterie, zoals die door de oude inwijdingstraditie is
overgeleverd. Het seizoensdrama van het afdalen naar de onderwereld speelde zich ooit af
de herfst, maar is in christelijke tijden verplaatst naar de lente. Ook dat is betekenisvol: na
de afdaling in de donkere, moederlijke nacht volgt de geboorte van onze lichte essentie.

Mythen, sprookjes en heilige verhalen zijn wegwijzers die twee kanten op wijzen: naar een
gouden verleden en naar een gouden toekomst, een Nieuwe Tijd van bewuste Mensen.


Inwijding in de seizoenen van de Grote Moeder
Gouden tijden - Tekst | Annine van der Meer
Dr. Annine van der Meer is auteur en wetenschappelijk onderzoekster | Academie
Pansophia Tekst van dit artikel stond in Seizoener, tijdschrift voor Vrijeschoolwereld, lente 2016, p. 48-51.

Geen opmerkingen: