27-11-2015

Worden wie je bent

Ontwikkelingsfasen en geheime opdrachten van een kind -




Elke ouder zal zich op enig moment wel eens verbaasd hebben over een onverwachte opmerking, een gebaar, een blik of een prestatie van zijn of haar kind. Op zo’n bijzonder moment lijkt de erfelijkheid even afwezig. “Dat heeft hij niet van mij,” zegt de vader dan misschien, hetgeen direct gevolgd wordt door “Maar van mij ook niet!” door de moeder. Wie oog heeft voor dergelijke momenten in het leven van het opgroeiende kind zal moeten besluiten dat elk mens iets heel eigens heeft. Door de erfelijkheid heen straalt iets zeer persoonlijks. Het woord ‘per-soon’ betekent zoiets als ‘doorheen klinken’. Wat door het geërfde lichaam heen klinkt is de persoonlijkheid of het ‘Ik’.

Tekst: Henk van Oort

Bij de geboorte krijgt dit ‘Ik’ gedurende het toekomstige leven de kans aan het werk te gaan in aardse omstandigheden. Het komt zelf uit de geestelijke wereld en heeft een tijdje nodig om te wennen aan de totaal andere situatie. Dat ‘tijdje’ is de periode waarin de opvoeders dit gewenningsproces van zo’n kleine twintig jaar mogen begeleiden. Als we die opvoedingsperiode nader bekijken kunnen we drie aparte perioden onderscheiden.

Eerste zeven jaar: het fysieke lichaam

Bij de geboorte van het fysieke lichaam is de mens na een groeiperiode van negen maanden in het lichaam van de moeder op aarde beland. “Precies op mijn verjaardag!” zei een kind ooit. Het kleine fysieke lichaam is aanwezig maar wordt nog niet volledig beheerst door het ‘ik’. Het leven op zich lijkt de overhand te hebben. Alles beweegt, spartelt en maakt lawaai. Alleen het hoofdje lijkt overgeleverd aan de zwaartekracht. Bij het verschonen van een luier zweven de beentjes haast in de lucht. Deze omhulling van pure levenskracht waarmee het kind nog omgeven is, wordt het etherlichaam genoemd. Voor het gewone oog is het onzichtbaar. Als een soort ei is het fysieke lichaam nog omgeven door een beschermende etherische laag. Dit etherlichaam is tijdens de eerste vijf, zes, misschien zeven jaren, bezig met de verdere opbouw van het groter wordende lichaam. In het etherlichaam zijn de vormmodellen onzichtbaar aanwezig die tijdens de groei als het ware worden gevuld met fysieke substantie. Het kind heeft het er maar druk mee en zou eigenlijk niet gestoord mogen worden tijdens dit uiterst belangrijke proces. Als na ongeveer zeven jaar dit proces voltooid is, vindt er een tweede geboorte plaats: het etherlichaam wordt zelfstandig. Dit moment wordt gemarkeerd door de tandenwisseling. We kunnen nu dus zeggen dat het kind een eigen fysiek lichaam heeft èn een eigen etherlichaam.

Tweede zeven jaar: het etherlichaam en astraal lichaam

Na het zevende jaar gaat de ontwikkeling verder want er is nog een derde systeem dat het kind in kiemvorm in zich draagt. Het lijkt wel een vergaarbak waarin vele voor het oog uiteenlopende kwaliteiten aanwezig zijn: beweging, gevoelens van honger en dorst, verdriet en blijdschap, gevoel voor geluid, seksualiteit, en nog veel meer. Die vergaarbak wordt het astraal lichaam (ziel)  genoemd. Tussen globaal het zevende en het veertiende levensjaar wordt er druk gewerkt om dit astraal lichaam zelfstandig te maken.

Bij het bereiken van de geslachtsrijpheid wordt het eigen astraal lichaam geboren. Na deze derde geboorte heeft het kind dus het fysiek lichaam, het etherlichaam en het astraal lichaam.

Derde zevenjaar: het 'Ik '

Dan volgt de laatste fase van, zeer globaal zeven jaar, waarin gewerkt wordt aan de geboorte van het ‘Ik’. Na de geboorte van de persoonlijkheid, van het ‘Ik’, rond het eenentwintigste levensjaar, kan de mens zelfstandig het leven op aarde vorm geven.

We kunnen dus spreken van vier geboorten:
van het fysiek lichaam, het etherlichaam, het astraal lichaam en het ‘Ik’

       



Processen

Van groot belang is nu dat de opvoeder in elk van deze perioden oog heeft voor de processen die zich erin afspelen.

In de eerste zeven jaar na de geboorte is het van belang dat de vorming van de fysieke organen ongestoord kan plaatsvinden. Dit betekent dat de levenskrachten die daarvoor nodig zijn niet op een ander gebied ingezet zouden moeten worden. Als we het kind te vroeg blootstellen aan intellectuele inspanning, zoals zeer vroeg leren lezen of schrijven, dan worden levenskrachten weggetrokken uit die opbouwprocessen. Allerlei volwassen redeneringen waarin kinderen betrokken worden, zuigen levenskracht weg. De etherische omhulling zou onbeschadigd moeten blijven totdat de fysieke organen klaar zijn. De inrichting van de kleuterklassen en de eerste klas van de vrijescholen weerspiegelen deze etherische omhulling.

In de tweede zevenjaarperiode ontdekt het opgroeiende kind dat niet alles koek en ei is op de wereld. Het kind ontdekt dat de krachten die in de wereld een rol spelen ook in hemzelf aanwezig zijn. De opvoeder probeert zo veel mogelijk een evenwicht te laten zien tussen de opbouwende en de afbrekende krachten. In het leerplan van de vrije scholen zien we bijvoorbeeld in de vierde klas de Germaanse mythologie met de Godenschemering waarbij het er niet kalm aan toegaat maar die wel eindigt met de mens die het heft zelf in handen neemt en verder leeft. Uit de Griekse mythologie wordt in de vijfde klas het verhaal van Odysseus vertelt die met eigen gedachtenkracht, niet meer geholpen door de goden, ontsnapt aan de Cycloop. En in de zesde klas zien de leerlingen hoe de Romeinen meesters zijn in het bedwingen van de zwaartekracht in al hun bouwwerken. De godenwereld is voorlopig verdwenen: de mens is al weer verder op de aarde geland.

In de derde zevenjaarperiode vindt een verdere verkenning plaats van de aardewereld aan de hand van bijvoorbeeld de grote ontdekkingsreizen en de wereldliteratuur. Biografieën van belangrijke personages ondersteunen het spiegeleffect dat deze verhalen kunnen hebben op de opgroeiende mens. Het langzaam indalende ‘Ik’ wordt een bedding geboden waarin dit proces zich optimaal kan voltrekken. Alle lesstof ondersteunt zo de ontwikkeling van het kind.


Elk mens wordt geboren met een soort rugzakje dat vol zit met vooralsnog geheime opdrachten. Het is prachtig als dat rugzakje helemaal geopend kan en mag worden. Alle goudschatten mogen het daglicht zien.

Als de opgroeiende mens een omgeving wordt geboden waarin met wijsheid de hierboven besproken ontwikkelingsfasen worden begrepen, dan pas kan de opvoeder zeggen: “Welkom, je mag hier worden wie je bent!”

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Motief, oktober 2015

Geen opmerkingen: