08-01-2015

De gnosis van de Essenen

Eeuwenlang wisten we bijna niets van de Essenen, maar door de vondst van de Dode Zee-rollen in 1947 in Qumran veranderde dat ingrijpend. Men twijfelde er vroeger zelfs aan, of de Essenen wel
echt bestaan hadden. Maar nu is er door de vondst van de Dode Zee-rollen een onomstotelijk bewijs in de vorm van Esseense boekrollen die ons veel vertellen over hun leven en hun inzichten.


De Essenen

In lange witte gewaden - hagelwit waren ze -
gingen zij rond door het land. Overal, waar
mensen in nood waren, brachten zij hoop
en troost. Overal, waar mensen ziek waren,
brachten zij verlichting en genezing. De mensen
vereerden hen als heiligen en omhulden hen
met hun dankbaarheid en met eerbiedige liefde.

Zij leefden veiligheidshalve in volstrekte
eenzaamheid: zij waren al zo vaak vervolgd,
gemarteld en gedood. Zij hielden zich verre
van de grote machtscentra: macht corrumpeert
en doet de ziel alleen maar kwaad. Ook weigerden
zij wapens te dragen: wapens brengen vernietiging
en mogen daarom zelfs uit zelfbehoud niet
gebruikt worden. Mensen van vrede waren zij.

In hun meditaties, in hun vasten en hun gebeden
waren zij gericht op die Ene die komen zou:
de Zonnegeest, de ware Zoon van God die zich
in een mens belichamen zou, een mens
door wiens lichaam Joods bloed stroomde.

Heel hun verlangen was erop gericht om die Ene
bij te staan bij zijn zo grootse opdracht. En toen
zij de jonge Jezus van Nazareth ontmoetten,
wisten zij: hij is het, hij zal de drager worden
van de Zonnegeest. Vanaf dat moment waren zij
in stilte zijn dienaar, ondersteunden hem waar
mogelijk en droegen hem met hun gebed.

Zij mochten ervaren hoe Zijn Geest zich bij zijn dood
belichaamde in de aarde. Zij mochten Hem zien,
toen Hij hen na zijn opstanding verscheen en hen
de kosmische geheimen uitlegde die zij nog niet
begrepen hadden. Zo konden zij de grondleggers
worden van het eerste, het esoterische christendom.

Vaak keerden zij in een nieuw leven terug. Als
Kathaar, als Tempelier of als Rozenkruiser.
Nu zijn velen van hen opnieuw terug, want nu
zal dat, wat eeuwenlang verborgen bleef, worden
toevertrouwd aan wie maar horen wil: het geheim
van de Zonnegeest die de Geest van de aarde werd.
Hier op aarde, hier is Hij te vinden. Overwin daarom
je heimwee. Zoek Hem hier, op aarde! En bouw tot aan
je laatste ademtocht aan de nieuwe aarde, Zijn aarde!

1. Inleiding

In 1945 werden in Egypte de Nag Hammadi Geschriften gevonden. Twee jaar later, in 1947, werden in Qumran - in Israël, vlak bij de Dode Zee - de Dode Zee-rollen gevonden. Na enige omzwervingen
kwamen deze rollen via Amerika in Israël terecht, waar ze sindsdien tentoongesteld worden in het Israëlmuseum in Jeruzalem, en wel in een speciaal daarvoor ontworpen gebouw, De Schrijn van het Boek. Emil Bock zei ooit dat de Dode Zee-rollen waarschijnlijk nog belangrijker zijn dan de Nag Hammadi Geschriften. Voor liefhebbers van de Nag Hammadi geschriften wel een vérgaande uitspraak! Maar wel begrijpelijk: ze maken duidelijk dat we in de Essenen (van wie deze
geschriften waren) de oorsprong van het Esoterisch Christendom mogen zien.

De Essenen leefden in grotere, kloosterachige gemeenschappen samen, zoals in Qumran, maar ook in kleinere leefgemeenschappen. Hun belangrijkste gemeenschapshuis lag in de eenzaamheid, in de
kale vlakte bij de Dode Zee, in Qumran. We mogen de Essenen zien als de ingewijden die de komst van de Christus naar de aarde hebben voorbereid en begeleid. Ze zijn de grondleggers van het Esoterische Christendom.

Eeuwenlang wisten we bijna niets van de Essenen, maar door de vondst van de Dode Zee-rollen in 1947 in Qumran veranderde dat ingrijpend. Men twijfelde er vroeger zelfs aan, of de Essenen wel
echt bestaan hadden. Maar nu is er door de vondst van de Dode Zee-rollen een onomstotelijk bewijs in de vorm van Esseense boekrollen die ons veel vertellen over hun leven en hun inzichten.

2. De vondst in Qumran

De Essenen vormden de derde religieuze stroming in Israël ten tijde van de Romeinse bezetting: de Farizeeërs (de conservatieve stroming) en de Sadduceeërs (de progressiebe stroming) vormden de
beide andere stromingen. De Essenen traden tussen 200 v. Chr en 68 na Chr. op.
Een herder, Mohammed Ed-dib, vond in 1947 - op zoek naar één van zijn geiten - in een grot de boekrollen van de Essenen die stammen uit de eerste en de tweede eeuw v. Chr. Daaronder waren onder meer teksten uit het Oude Testament, apocriefe teksten en Esseense geschriften, zoals de Regel van de Gemeenschap. De vondst werd ook in Nederland als zo bijzonder gezien dat in 1961 in Groningen  het Qumran-instituut werd opgericht om deze rollen te bestuderen en wetenschappelijke publicaties voor te bereiden. De vondst zelf werd wel de grootste archeologische vondst aller tijden genoemd.
De rollen waren in deze grot (en in andere grotten) bewaard gebleven, omdat de laatste overgebleven Essenen omstreeks het jaar 68 na Chr. uit het klooster van Qumran weggevlucht zijn en voor hun vertrek hun heilige geschriften in kruiken in rotsholen verborgen. In 66 na Chr. brak in Israël de Joodse opstand tegen de Romeinen uit. De Romeinse veldheer Titus (de latere keizer) trok met een leger op naar Jeruzalem.
Onderweg vernietigde hij in 68 na Chr. het klooster van de Essenen in Qumran. Twee jaar later, in 70 na Chr., werd de stad Jeruzalem verwoest, net als de tempel. De Essenen hadden dus geen andere keuze dan om te vluchten. Andere Essenen hadden het klooster al eerder verlaten, en wel na de opstanding van Jezus Christus, om overal christelijke gemeenten te stichten.

3. Het leven en denken van de Essenen

De Joodse filosoof en schrijver Philo van Alexandrië (20 v. Chr. – 50 na Chr.) vertelde over de Essenen:

• Ze leefden niet alleen in Israël, maar ook in de landen rondom Israël, zoals Egypte, in de       gemeenschap die Heliopolis genoemd werd: zonnestad.
• In Egypte werden ze de Therapeuten genoemd, omdat ze geen gewone genezers waren, maar (zegt Philo) de ziel genazen.
• Naast het centrale klooster in Qumran leefden ze in kleine gemeenschappen of in grotere koloniën die de sfeer van een strenge kloostergemeenschap uitstraalden. Ze worden dan ook wel gezien als de
voorlopers van de latere kloosterordes. Behalve de streng ascetisch levende broeders, waren er ook lekenzusters en broeders die vaak om in een kleine gemeenschap samenleefden. Nazareth was bijvoorbeeld zo’n kleine leefgemeenschap.
• Ze moesten al hun bezit afstaan: wie wijsheid wilde verwerven, moest uiterlijke bezittingen loslaten.
• Ze aten geen vlees en leefden ascetisch: de oorspronkelijke, eigenlijke christenen waren dus vegetariërs!
• Reïncarnatie en karma was vanzelfsprekend voor hen – en dus ook voor het oorspronkelijke christendom.
• Voor de Essenen was de onsterfelijkheid van de mens vanzelfsprekend: het lichaam sterft, de geest leeft eeuwig.
• De Essenen werden later gezien als de eerste christenen, hoewel Christus nog niet in de mens Jezus geïncarneerd was, en het christendom dus nog niet begonnen was. Maar zij waren het die de komst van de Christus verwachtten, die wisten van zijn incarnatie in de mens Jezus van Nazareth, en die Hem in alles bijstonden.
• Zes dagen in de week bestudeerden ze de heilige boekrollen die hun kostbaarste bezit waren. Met name de beeldtaal van die boeken sprak tot hun ziel. Op de zevende dag hield de oudste een voordracht Rustig, zodat ze niet in extase raakten, maar in het gesprokene met hun ik of hun bewustzijn tot zich konden nemen.
• ’s Nachts zongen ze hymnen en andere lofliederen (denk aan de metten in de kloosters, waarbij nog steeds in de nacht lofliederen gezongen worden).
• Ze bleven bij het wakker worden met gesloten ogen liggen om stil te staan bij wat ze in de nacht hadden ervaren: zo probeerden ze zich bewust te worden van wat leefde in hun ziel en van de begeleiding die ze in de nacht ontvingen.
• Bij zonsopgang stonden ze op om met uitgebreide armen de zon te begroeten; daarna gingen ze weer liggen.

4. Het cultische leven van de Essenen

De Essenen waren tegenstander van de bloedige offers, zoals die in de tempel gebracht werden. Daar werden dagelijks geiten, duiven en andere dieren geslacht en geofferd. De Essenen wilden echter
alleen onbloedige, innerlijke offers brengen. Daarom werden ze uitgesloten van de tempelcultus in Jeruzalem, veroordeeld en vervolgd: ze moesten zich daarom wel terugtrekken in de eenzaamheid van de woestijn.

Het centrum van hún cultische leven was de eetzaal of het cenaculum die nog het meest iets had van een heilige tempelruimte. De maaltijd werd zwijgend genoten, als een gave van God. In de maaltijd
– zo beleefden de Essenen dat - schonk Hij hen de heilige energieën die een mens nodig heeft om te leven.
Flavius Josephus vertelt: Na de plechtigheden van de wassing begeven ze zich naar een speciaal gebouw dat alleen voor de gewijde leden toegankelijk is. Nu ze zelf rein zijn, verzamelen ze zich
in de eetzaal, alsof dit een gewijd heiligdom zou zijn. Noch lawaai, noch wanorde ontheiligt ooit dit huis. En het stilzwijgen van de daar verzamelden wordt door hen die buiten moeten blijven als een huiveringwekkend mysterie ervaren.

De maaltijd was dus een cultische viering: daar komt ons avondmaal of communie vandaan! Tijdens de maaltijd werden de heilige geschriften voorgelezen ter overdenking en baden ze.
Het cenaculum of de eetzaal van de Essenen in Jeruzalem was de plaats waar Jezus Christus het Laatste Avondmaal vierde met zijn leerlingen: ook dat laat de nauwe verbinding zien tussen Jezus
Christus en de Essenen.

5. De band tussen Jezus Christus en de Essenen

Essentieel voor de Essenen was dat zij (in de jaren voor de Doop in de Jordaan) vol hunkering en verlangen uitzagen naar de komst van de Messias, en dus naar de incarnatie van de Zonnegeest. Ze berekenden zelfs met hun astrologische kennis wanneer de Christus-drager (Jezus van Nazareth) geboren zou worden en wisten hoe hij er qua gelaat en lichaamsbouw uit moest zien.
Zij kenden ook het geheim van de twee Jezuskinderen, zo blijkt uit verschillende teksten uit de Dode Zee-rollen.
Zo staat in De Testamenten van de Twaalf Aartsvaderen:
Want de Here zal verheffen uit Levi een hogepriester en uit Juda een koning die alle volken en de stam van Israël zal redden. De hogepriester is het Jezuskind uit Lucas, de koning
dit citaat is het koninklijke Jezuskind uit Mattheüs. 

Rudolf Steiner zei al in het begin van de twintigste eeuw over de Essenen dat wij aan hen de belangrijkste inzichten te danken hebben die het ons mogelijk maken het mysterie van Jezus Christus te begrijpen.
Het geheim van de twee Jezuskinderen behoort daartoe.

De Dode Zee-rollen laten zien, hoezeer hij gelijk had!
Het diepste verlangen van de Essenen was hun wens om de Messias (de Zonnegeest) te mogen dienen. De twaalf discipelen van Jezus Christus begrepen Hem niet (zie Lucas 18 : 35): Tijdens zijn aardse leven werd Hij dan ook alleen daadwerkelijk begrepen en ondersteund door de Essenen.

                                       


In de jaren voor zijn Doop is Hij vaak naar de Essenen in Qumran toegegaan. Hij werd door hen gezien als een bijzonder lid van hun gemeenschap.
Daar heeft hij ook Johannes de Doper (zie afbeelding) ontmoet. Ook deze was geen lid van de Esseense gemeenschap, maar was wel nauw met hen verbonden. In het evangelie van Mattheüs (3 : 4) wordt verteld dat Johannes een kameelharen mantel droeg. Dat was de mantel die de Essenen gedurende de winter droegen. Zijn mantel laat hem dus al kennen als een Esseen of als iemand die nauw met hen verbonden is.

Maria Magdalena was een voltooide, ze heeft alle inwijdingen doorlopen in de mysterieschool van de Essenen op de berg Karmel. In het gebied waar Maria Magdalena heeft gewoond is de beweging van de Katharen opgebloeid. Is dat wat Maria heeft gezaaid?


6. De donkere kant van de Essenen

Jezus Christus zag aan de Essenen echter ook een donkere kant. Ze probeerden door hun ascetische leefwijze het donker op afstand te houden en buiten te sluiten. Maar omdat ze Lucifer en Ahriman
op die manier buiten hun leven hielden, stortten deze zich des te fanatieker op de andere mensen. De Essenen ontwikkelden zich dus ten koste van de andere mensen. De neofi et (ofwel de leerling – Esseen) moest dan ook dit beloven:
God te zoeken; te doen wat goed en rechtschapen is voor Hem, zoals Hij het bevolen heeft door Mozes en zijn knechten, de profeten.
Hij heeft de opdracht allen lief te hebben, die Hij uitverkoren heeft en allen te haten die Hij verworpen heeft.
Hij heeft de opdracht zich ver te houden van al het boze en zich te houden aan alle goede werken.
Hij moet onberispelijk bewandelen de wegen van de Heer en alle zonen van het licht liefhebben …
Hij moet alle zonen van de duisternis haten …
(N.B.: het woord haten in deze tekst betekent: op afstand houden, op de tweede plaats zetten.)

In deze leefwijze van de Essenen kunnen we nog de invloed van de grote ingewijde Zarathoestra herkennen die leerde dat er hier op aarde twee krachten werkzaam zijn: Ahoera Mazda, de God van het licht, en Ahriman, de God van het donker. Hij riep zijn volgelingen op om Ahriman te mijden en Ahoera Mazda te volgen.

In die oude tijden was deze levenshouding zinvol en goed.
Maar voor een nieuwe tijd gelden weer andere regels. Daarom was het antwoord van Jezus Christus op deze manier van leven: Hebt uw vijanden lief! (en mijd ze dus niet!)
Eens zág Jezus (het was nog voor de Doop in de Jordaan) Lucifer en Ahriman voor de poort van de Esseense gemeenschap staan, en Hij zag hoe ze onverrichterzake afdropen en zich vol woede op andere mensen stortten. Dat heeft hem diep geschokt!

7. Het behoeden van de ziel

Waarom waren de Essenen eigenlijk zo radicaal?

Omdat ze wisten dat ze alleen door radicaal ascetisch te leven als laatsten van de ingewijden nog een levende verbinding met de geestelijke wereld konden verwerven en dus het mysterie van de Christus of de Zonnegeest konden begrijpen. En alleen in volkomen zuiverheid konden ze Hem dienstbaar zijn. Hun keuze paste dus bij de opdracht die zij te vervullen hadden.

Het bijzondere van de Essenen was echter dat zij wisten dat de Ahriman en Lucifer erop uit zijn om aanknopingspunten in onze ziel te vinden, zodat ze daar werkzaam kunnen worden: zonder die aanknopingspunten lukt het niet. Daarom hadden de Essenen een grote aandacht voor hun innerlijke leven en voor de zuiverheid van hun hart. Ze wisten ook dat na Pinksteren de Zonnegeest (ofwel ons hoger Zelf, of de innerlijke Christus) in ons hart werkzaam wil worden. Ook dat bracht hen ertoe om de zuiverheid van hun ziel te behoeden, want alleen dan kon immers dat grote geheim van de geboorte van de Christus-in-ons werkelijkheid worden.

Zo waren de Essenen het die de eerste stap van buiten naar binnen zetten.
Toch was die weg naar binnen nog maar een begin: de Tien Geboden van Mozes (een uiterlijke instantie dus) bleef voor hen het ware richtsnoer, al begon daarnaast hun geweten (ons innerlijke richtsnoer) ook steeds meer tot hen te spreken.

8. Jeshu (of Jezus) Ben Pandira

Dé grote leider van de Essenen was Jeshu (of Jezus) Ben Pandira die omstreeks 100 v. Chr. leefde. Hij stierf de martelaarsdood: hij werd gestenigd en gekruisigd. Hij had vijf belangrijke leerlingen, onder wie Matthai en Nezer. Deze laatste, Nezer, was het die de kleine leefgemeenschap
van de Essenen met de naam Nazareth stichtte. Daar kreeg Jezus zijn opvoeding en opleiding (zowel de priesterlijke, als de koninklijke Jezus).

Jeshu Ben Pandira en zijn volgelingen brachten de mensen genezing.
De Talmoed vertelt: De volgelingen van Jeshu Ben Pandira genazen de mensen die dreigden te stikken of door slangen gebeten werden. Maar het ware voor deze zieken beter geweest dat ze gestorven zouden zijn in plaats van zich door deze ketters te laten genezen.

Als je de symboliek van deze tekst doorziet, is het eigenlijk een bijzondere tekst: de Essenen genezen de mensen die geen geestelijke adem meer krijgen en die innerlijk dood dreigen te gaan. Net zoals ze
de mensen inzicht schenken die in een transformatieproces terecht komen (= door de slang gebeten worden), maar niet weten waar ze nieuwe inzichten moeten vinden…

Jeshu Ben Pandira was een Bodhisattva, de opvolger van Siddharta Gautama die in zijn laatste leven het Boeddha-schap verwierf. Het is dan ook begrijpelijk dat Jeshu Ben Pandira, zoals alle Bodhisattva’s,  een van de grote wereldleraren was. Andere belangrijke Bodhisattva’s
zijn: Hermes Trismegistos, Lao Tse, Zarathoestra en Orpheus.

Over Jeshu Ben Pandira wordt (door Rudolf Steiner) het volgende verteld:

• Hij zal over 2500 jaar de waardigheid van Boeddha bereiken; dan zal hij als de Maitreya Boeddha de Christus dienen bij zijn opstijging van de etherische wereld naar de astrale wereld.
• Hij zal dan de mensen de ware, scheppende kracht van het woord leren.
• Omstreeks 1900 was hij ook al op aarde om de komst van de Christus (in de 20e eeuw) in de etherische wereld voor te bereiden.

Heeft Rudolf Steiner hem ontmoet?
• En 2000 jaar geleden, vlak voor de komst van Jezus Christus was hij dus ook op aarde om de Christus bij zijn incarnatie in de mens Jezus bij te staan. Toen deed hij dat dus als de grote leider van de Essenen.

Nu kunnen we ook begrijpen, waarom de Essenen zo sterk met Jezus Christus verbonden waren: omdat de Esseense beweging (mede door het werk van Jeshu Ben Pandira) een gemeenschap was die de Christus bij zijn incarnatie op aarde moest bijstaan. Daarom horen we na het jaar 68 ook niets meer van hen: hun taak als gemeenschap was volbracht, maar individuele Essenen werden nu de stichters van christelijke gemeenten, waarin de Esseense wijsheid werd behoed en in het geheim doorgegeven.

De eigenlijke gnosis (kennis) van de Essenen is dan ook hun inzicht in de mysteriën van Christus!


9. Het geheim van Mattheüs

Mattheüs was een tollenaar die door Jezus Christus geroepen werd en zijn discipel werd. Maar hij was ook een Esseen. Zijn naam Mattheüs betekent: leerling van Matthai, een van de vijf bekende leerlingen van Jeshua Ben Pandira.

Maar hoe kan een tollenaar nu een Esseen zijn? 
Essenen wijzen immers elk persoonlijk bezit af en mogen ook geen geld bezitten.
Mattheüs zag niet alleen dat de Christus neerdaalde in de mens Jezus, maar hij voorvoelde ook, waar de Christusimpuls in de toekomst werkzaam zou worden: in het Romeinse rijk. Waren de Farizeeërs
bang voor de Romeinen, Mattheüs verbond zich juist met hen, en wel door een tollenaar te worden. De tollenaars werden gezien als de meest verachte leden van het Joodse volk, omdat ze landverra-
ders waren: ze dienden de Romeinen en waren hen behulpzaam bij de het innen van de belastingen.
Mattheüs werd een van hen, om zo contact te krijgen met de Romeinen en bij hen al iets van
een ontvankelijkheid voor de Christus te wekken.

Als Jezus Christus hem roept, organiseert hij meteen een maaltijd voor Jezus en zijn tollenaarvrienden, en geheel in de sfeer van de Essenen is die maaltijd in wezen een cultische viering. Zie Mattheüs 9 : 9 – 13:
En verder gaande, zag Jezus iemand bij het tolhuis zitten, Mattheüs genaamd, en Hij zei tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde hem. En het geschiedde, toen Hij in het huis aanlag, zie,
vele tollenaars en zondaars kwamen en lagen mede aan met Jezus en zijn discipelen.
En toen de Farizeeën dit zagen, zeiden zij tot zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaars en zondaars? Hij hoorde het en zei: Zij die gezond zijn, hebben geen geneesheer
nodig, maar zij die ziek zijn.


Ook als discipel van Jezus Christus behield hij zijn contacten met de tollenaars en Romeinen. Zo bereidde Mattheüs als Esseen alvast de toekomst van de Christusimpuls op aarde voor: een
typische eigenschap van de Essenen.

Zo zijn er ook nu teruggekeerde Essenen die zich inzetten voor de Christusimpuls van dit
moment: de verschijning van de etherische Christus, en een nieuwe aandacht voor het esoterische Christendom, als de impuls die de mens van nu nodig heeft.


www.hansstolp.nl
www.stichtingdeheraut.nl
www.esoterischchristendom.nl

Geen opmerkingen: