11-10-11

priesteres in Egypte

Het boek Inwijding beschrijft de weg die ze in een vorige leven heeft afgelegd in de Egyptische wijsheid. Een weg vol beproevingen waarin haar karakter is getraind, wat heeft geleid tot haar inwijding als priesteres. Het boek is een boeiend en bloemrijk verhaal over iemands persoonlijke zoektocht naar wijsheid, een verhaal waarin het verleden doorleeft in het heden. Het laat duidelijk zien wat het Oude Egypte heeft betekend voor de mens.



Op de achterflap staat:  Elisabeth Haich is zoekende naar een verklaring voor het leven op aarde. Ze is overtuigd van een diepere zin achter de schijnbaar eindeloze keten van geboorte en dood, hoe onverklaarbaar dat ook mag lijken. Het vinden van deze diepere zin is als een inwijding. De zoektocht van Elisabeth leidt naar steeds wijzere mensen, die meer en meer onthullen over de inwijding en de zin van het leven. Ze krijgt visioenen, die uitmonden in herinneringen aan een eerder leven als dochter van een Egyptische Farao, die één wens had: ingewijd worden als priesteres. Het boek is uitgegeven door AnkhHermes


Uit het boek “ Inwijding” van Elizabeth Haich  enkele passages over het gebruik en de betekenis van de Ankh:

Blz. 230

Bo-Ghar en de levensstaf.

De schrijfster van “Inwijding” was in een ver verleden dochter en later vrouw van de Farao en tevens zou zij later de inwijding tot priesteres krijgen, in het oude Egypte. De farao en zijn, toen nog, jonge dochter vinden, als zij een keer na een storm gaan varen op zee bij hun buitenhuis een jongetje tussen de golven…

… een magere jongen van een jaar of tien, elf, klampt zich krampachtig vast aan de gebroken planken. Hij is meer dood dan levend… Er is al geen licht meer in zijn ogen… Zo lukt het ons eindelijk de halfdode jongen in onze boot te krijgen….
Vader draagt het kind het huis binnen. Dan drukt vader in een sterk ritme de buik en de ribben samen om het binnengekomen water eruit te persen. Tenslotte laat hij het kind op zijn eigen bed neerleggen en zendt hij het personeel de kamer uit.

Nu gebeurt er iets heel wonderlijks: Uit de cassette, die ik thuis ook steeds in zijn kamer had zien staan en die, waar hij ook heen trekt, steeds met hem meegaat, neemt vader een kleine staf, die op een kruis lijkt en boven in een cirkel eindigt (een Ankh). Hij pakt de staf bij de ring stevig vast en begint er lijnen mee te trekken over het lichaam van het kind. Ik zie dat vader zich daarbij sterk concentreert en zijn volle aandacht op het kind richt. Hij houdt de staf eerst een poos op de schedel van de knaap en dan trekt hij hem langzaam over het gezicht tot aan het hart, daar stopt hij even, dan trekt hij vanuit de hartkuil lijnen over de romp naar beneden tot aan de geslachtsorganen en dan, dezelfde bewegingen herhalend, over de armen tot aan de handen en tenslotte over de benen tot aan de voeten. Nauwelijks heeft vader de kleine staf op de schedel van het jongetje gelegd, of het begint adem te halen en – terwijl vader de lijnen trekt – ademt het regelmatig door en zijn lichaam trekt zich samen. Heel langzaamaan komt het kind tot bewustzijn, en als vader de laatste lijnen trekt van deze behandeling, opent het plotseling de ogen, komt – ogenschijnlijk kerngezond – overeind en werpt zich, zonder overgang voor mijn vader op de knieën, slaat de armen om diens voeten, legt er zijn voorhoofd tegen en begint bitter te huilen en te snikken. Vader tilt hem op, neemt hem op zijn schoot en brengt hem vol liefde en tederheid tot bedaren.

 …. ‘Vader’ vraag ik, ‘wat voor kracht ligt er in deze staf?’ Waarvan is hij gemaakt en hoe? Hij werkte magisch in op het kind, dat halfdood was; en na uw behandeling met de staf werd het als met nieuwe levenskracht vervuld.’ Vader zwijgt een poos en dan antwoordt hij: ‘De jongen werd inderdaad met nieuwe levenskracht vervuld. Het geheim van de staf hoort ook bij de inwijding. We moeten het geheim houden, omdat de staf niet alleen levenwekkend, maar ook dodelijk kan zijn; en als het geheim van de staf in handen kwam van onwetende en zelfzuchtige mensenzonen, zouden deze hem meteen verkeerd gebruiken. Jij staat al dicht bij de inwijding en je hebt de kunst van het zwijgen geleerd. Daarom mocht je ook aanwezig zijn en zien hoe ik het kind met de staf behandelde. Ptahhotep zal je het geheim van de staf grondig uiteenzetten en je, na de inwijding, ook leren hoe hem te gebruiken.

                   


Blz. 250
….‘Vader van mijn ziel’, vraag ik dan, ‘hoe laadt u de Arke des Verbonds met scheppende energie op?’

Ptahhotep (hogepriester) kijkt me met zijn doordringende blik aan en zegt: ‘Ik zie dat je al weet, hoe wij de ark opladen. Ik heb je gezegd, dat er maar één bron op aarde is, die deze kracht vermag uit te stralen en dat is de Godmens zelf. Het is de plicht van de dan levende hogepriester de Arke des Verbonds met de goddelijk-scheppende kracht te laden. Hij stuurt zijn eigen verhevenste kracht onmiddellijk in de Arke des Verbonds, of hij bereikt hetzelfde resultaat met behulp van de levensstaf, de Ankh, doordat hij een intense getransformeerde, maar beslist positieve stroom van kracht uit zijn eigen hand door de staf tot goddelijke scheppende kracht omzet en in de Arke des Verbonds leidt. Want de tot volmaaktheid geraakte Godmens straalt in het leven van alledag de scheppende kracht ook alleen maar meer getransformeerd uit. Alleen in zijn concentratietoestand, waarin hij bewust één is met God, straalt hij de goddelijke kracht in haar oorspronkelijke vibratie uit. Hij moet zich dus in de toestand van kosmisch Al-Bewustzijn bevinden, als hij de scheppende kracht wil uitstralen. Wanneer oningewijde mensenzonen hem in deze toestand zouden zien, zouden ze meteen in doodschrik weglopen, want de Godmens straalt dan zo’n bovenaards, goddelijk licht uit, dat de mensen die aanblik niet kunnen verdragen. Als niet-ingewijden een ingewijde in de goddelijke Zijnstoestand zouden aanraken, zouden ze ogenblikkelijk dood neervallen, net precies zo, als wanneer ze de Arke des Verbonds hadden aangeraakt.

Wanneer dus de ingewijde zijn stralen van levenskracht tot genezing uitzendt, gaat hij in een concentratie, welker uitstraling de mensen zonder schade kunnen verdragen; alleen de in de passende zenuwcentra gestuurde kracht versterkt hij met behulp van de staf tot de creatieve potentie. Want de staf is namelijk zo geconstrueerd, dat hij de uitstralingen niet alleen verder kan leiden, maar naar believen ook getransformeerd, versterkt of getransmuteert afstaat. De ingewijde hoeft zich dus niet in de goddelijke Zijnstoestand te verplaatsen om de verhevenste straling van leven in de Arke des Verbonds te leiden, maar hij gaat in een lagere vorm van concentratie, en stuurt dan de met dit niveau overeenstemmende kracht, deze dan tot scheppende energie versterkend, met behulp van de levensstaf in de Arke des Verbonds.

Als de Arke des Verbonds op deze wijze geladen is, straalt ze weer gedurende lange tijd de hoogste en krachtigste energie uit, als bron van alle andere krachten op aarde.

 De ingewijde kan met de staf ook de meest uiteenlopende frequenties scheppen en geleiden, want de staf is een Arke des Verbonds op kleine schaal, behalve dat de creatieve energie er niet in opgeslagen kan worden zoals in de Arke des Verbonds. Een mensenzoon zou met behulp van de staf ook zijn lagere krachten in scheppende kracht kunnen omzetten, als hij zijn vele octaven lagere kracht zuiver, positief, dat wil dus zeggen volkomen onbaatzuchtig zou kunnen uitstralen. Want de staf straalt steeds die kracht uit, die de mens erin stuurt. Als een primitief en zelfzuchtig iemand de staf in handen kreeg, zou hij zijn eigen negatieve, uit zelfzucht stammende uitstralingen – eventueel nog versterkt – verder leiden en daardoor ziekten, epidemieën, aardbevingen of zelfs nog grotere stoornissen veroorzaken, net als de zwarte magiërs in hun vroeger land (Atlantis, Lemurie) van het goddelijke ras.

‘Begrijp je nu waarom de ingewijden hun kennis zo strikt geheimhouden en geen oningewijden toelaten?’

‘Ik begrijp het, vader. En het is me nu ook heel duidelijk hoe vader de halfdode knaap tot leven terugbracht. In zijn toestand van verheven concentratie heeft vader zijn uitstralingen nog versterkt in het kind gebracht. Het werkte wonderbaarlijk. Het kind werd met levenskracht geladen en zijn uitputting verdween terstond. Maar, vader van mijn ziel, wat zal er gebeuren als de mensenzonen van het tussenras de regering overnemen? Zou u dan ook de toverstaf vernietigen, zoals vader zei, dat de ingewijden al hun apparatuur zouden vernietigen? Wat jammer, dat de mensen de zegen van deze krachten niet kunnen genieten.’

‘Mijn kind’, zei Ptahhotep, ‘ieder mens leeft in nauwkeurig aangepaste omstandigheden! Als we het geheim van de staf aan de mensenzonen zouden verraden, zouden ze hem meteen gebruiken om elkaar – en ook zichzelf – schade te berokkenen. De mensenzonen zijn nog niet rijp voor deze kennis en het zal nog lang duren eer zij er rijp voor zijn. De staf die wij nu gebruiken zal de laatste ingewijde (Mozes), die deze geheimen nog zal kennen met de Arke des Verbonds uit Egypte redden. Hij zal onmogelijk piramiden kunnen bouwen, maar hij zal een klein, zo goed mogelijk isolerend omhulsel voor de Arke des Verbonds maken. Hij zal de Arke des Verbonds ook in veel geringer mate laden en hij zal ze met behulp van houten staven tijdens langdurige omzwervingen laten dragen.  Als deze laatste ingewijde zijn dood voelt naderen, zal hij zijn staf vernietigen.

De Arke des Verbonds zal nog een tijdlang de voor het laatst opgeladen kracht uitstralen; niet-ingewijden zullen haar nog lang door verschillende landen met zich meedragen, totdat ze langzamerhand merken, dat er geen kracht meer van uitgaat. Dan worden ook de laatste restanten van de Arke des Verbonds vernietigd. De mensheid zal later alleen nog maar door overleveringen iets vernemen over de “toverstaf” en de “Arke des Verbonds”. Men zal dit alles echter als sprookjes beschouwen en doorgeven.  Maar toch zal men zich herinneren, dat er eens een “Arke des Verbonds” was, waarbinnen de kracht van de levende God woonde, en ook nog een “toverstaf”, of zoals wij die noemen, de “levensstaf”, waarmee de ingewijden, de “tovenaars” of “magiërs”, wonderen volbrachten.

En uit de overlevering zal men gehoord hebben of vermoeden, dat de “staf” de macht over alle natuurkrachten betekende. Wanneer de mensen later de grootste macht in een symbool willen uitdrukken, zullen ze een staf – een scepter – als teken van macht in de hand houden. Die staf – die scepter – zal echter slechts als symbool, als nietszeggend teken van macht gelden. De werkelijke kracht en macht van de staf zal niet langer bekend zijn.

Pas over duizenden jaren zal een nakomeling uit de stam van de Zonen Gods geboren worden en hij zal deze waarheden voor de mensen van zijn tijd ontdekken en weer een echte “toverstaf” construeren. Tot dat moment zal er echter duizenden jaren lang een zonderling soort mensen bestaan, die zich, om anderen te amuseren of te bedriegen, voor tovenaar of magiër uitgeven (goochelaars) en ze zullen doen alsof ze hun kunsten, met behulp van hun toverstaf verrichten. Ze zullen dus na-apen  wat eens werkelijk bestond.  Ze zullen een toverstaf in hun hand houden en bewegingen maken, alsof ze toverkrachten uit deze staf naar buiten brengen. Ze zullen toverformules gebruiken en daarbij onze magische formules nabootsen. Maar de ware, de geweldige kracht van het woord zullen de mensen eerst dan leren kennen, als over duizenden jaren gevallen leden van de goddelijke stam opnieuw geboren worden, die nu hier leven, en zich de waarheden, die dan oeroude overleveringen zijn, in hun onbewuste herinneren.

Ze zullen bewijzen, dat hun herinneringen juist zijn. Eens komt de tijd, dat de mensenzonen alles, zelfs de verhevenste kennis ontdekken en bezitten. Voor de onwetende massa blijft het weten zelfs dan nog een onbegrijpelijk geheim en in oningewijde handen brengen de wederom ontdekte waarheden een vloek. Maar dit is nu eenmaal de weg der mensen, door veel leed en pijn en smart, die ze zichzelf aandoen. Langzaam aan zullen ze leren, dat ze met goddelijke krachten niet kunnen spelen, maar dat ze die zeer ernstig en waardig en met diepe eerbied moeten gebruiken. Want God geeft de mensheid alles, zelfs Zichzelf, tot zegen; maar in hun onwetendheid maken de mensen uit alles een vloek.

Blz. 254
…… Ik zie, dat Ptahhotep klaar is met zijn onderricht, maar ik ga er nog niet heen.
Ik wou zo graag, dat hij me liet zien hoe ik met de staf en de Arke des Verbonds te werk moet gaan. Hij kijkt me vriendelijk aan en zegt: ‘De tijd komt nog wel, dat je leert hoe de Arke des Verbonds en de levensstaf in elkaar zitten: nadat je de inwijding hebt gekregen. Maar ermee werken mag alleen diegene, die door eigen inspanning de zevende graad na de inwijding heeft bereikt. Deze geheimen mogen niet in gevaarlijke handen komen. Heb geduld. Tijd bestaat alleen in het denkvermogen. En toch moet alles eerst tot rijpheid zijn gekomen.  Hij zegent me en ik ga.

Geen opmerkingen: