12-04-11

de temperamentenleer

Ieder mens oriënteert zich op de buitenwereld, sommigen vanuit het denken, anderen vanuit het voelen, weer anderen gebruiken meer de gewaarwordingsfunctie, zij constateren, en weer anderen gebruiken meer de intuïtie, het op irrationele wijze aftasten en 'weten' waartoe een en ander kan leiden. Extravert of introvert vertelt iets over de bron van je motivatie, over dit alles heeft Jung, maar ook Steiner veel inzicht geboden.

Wat is er nog meer in jezelf te onderscheiden?



Empedocles maakte in vroeger tijden een indeling van de stoffelijke wereld in vier elementen: vuur, water, lucht en water. In de vijfde eeuw v. Chr. leerde Hippocrates op basis daarvan dat het menselijke lichaam uit deze vier elementen bestond, maar ook dat dit zou corresponderen met de vier substanties in het menselijke lichaam. Dit is de basis van de temperamentenleer waar Galenus, een Griekse arts uit de 2e eeuw na Chr. opzien mee baarde.

Het woord 'temperament' stamt uit het Latijn en betekent "het bekomen van de juiste verhouding wanneer iets gemengd wordt. De verbinding vinden tussen het materiaal wat zich bevindt bij het gekozen ouderpaar met je geestelijke individualiteit. Doordat het fysieke en het geestelijke niet helemaal in elkaar passen ontstaat er iets dat de verbinding tussen de twee moet mogelijk maken, en dat is het temperament.

Jung wees er op dat deze kenmerken die eeuwenlang bepalend zijn geweest in geneeskunst van middeleeuwen en Renaissance, een onoverbrugbaar verschil inhoudt. Hij leert dat de classificatie van Galenus een indeling is op basis van het emotionele gedrag van de mens waar astrologie gebruik van maakt. Emoties kun je niet indelen, je kunt gegrepen zijn door een complex, waardoor emoties zullen optreden. Maar het ego en de psyche bestaat uit méér dan tijdelijke oprispingen van complexen. 

temperamentenleer

In de antroposofische gereedschapskist is Rudolf Steiners temperamentenleer behulpzaam. Steiner nam de terminologie van Hippocrates over en bracht de vier temperamenten in verband met de vier wezensdelen: ik-, astraal-, ether, en fysiek lichaam. De Grieken wisten dat er een innerlijk verband bestaat tussen de temperamenten en de vier oerelementen aarde, water, lucht en vuur, en de temperamenten :

aarde -> melancholisch
water -> flegmatisch
lucht -> sanguïnisch
vuur -> cholerisch

Steiner verbindt de temperamenten met vier andere begrippen die in principe dezelfde inhoud hebben als de elementen van de Grieken :

1. het fysieke : het verband met het element 'aarde' is duidelijk ;
2. het etherische : het is de "levenskracht" die zich van het vloeistofachtige bedient om het fysieke       leven in stand te houden. Zo trekt het sap - of het etherische - uit een plant terug wanneer zij verdort. Of : een plantenzaadje kan duizend jaar blijven liggen, voeg er een beetje water bij en het begint te kiemen.
3. Het astrale : dit is de wereld waaruit de gevoelens, de gewaarwordingen, de gedachten stammen, alles wat niet meer fysiek waarneembaar, dus lucht-achtig is.
4. Het "Ik", de geestelijke wezenskern van de mens : het wordt voortgestuwd door de energie, het vuur van de individuele wilsimpulsen.

Ieder mens heeft de vier temperamenten in zich, maar niet in dezelfde verhouding.De manier waarop wij omgaan met ons temperament is wél van belang, want door ons temperament binnen de juiste banen te leiden kunnen wij onszelf veredelen; in het andere geval kan het tot ongecontroleerde uitspattingen leiden.

                           


Naast het individuele temperament bestaat er ook een leeftijdsgebonden temperament, en zelfs een cultuurgebonden temperament. Het temperament van onze cultuur is duidelijk sanguïnisch van aard. Wij leven in de tijd van de beelden-cultuur. Dagelijks gaan er duizenden beelden en indrukken aan ons voorbij zonder dat wij ze echt kunnen vatten.

Anders is het gesteld met de leeftijdsgebonden temperamenten. Het is eigen aan de aard van de levensperiode dat hier één of ander temperament domineert. Vanaf de geboorte tot de puberteit domineert het sanguïnisch temperament : kinderen nemen alle indrukken, bewegingen, geluiden in hun omgeving op. Met de volwassen leeftijd overheerst het cholerisch temperament : men wordt zich bewust van zijn eigen individualiteit - de wil om zelf en eigenzinnig te handelen openbaart zich. Op middelbare leeftijd begint men de last van het lichaam en de stramheid van de botten te voelen. De moed zakt weg en de zwaarmoedigheid komt naar boven; men wordt melancholisch. Oudere mensen worden flegmatisch. Ze berusten en er is nog weinig waarvoor ze interesse kunnen opbrengen. Dikwijls geraken bejaarde mensen in beroering wanneer ze niet op tijd hun maaltijd kunnen verorberen, en dit is typisch voor het flegmatisch temperament. Het flegmatische hangt immers samen met de stofwisseling, de spijsvertering, en deze functies blijven hun werking uitoefenen tot het einde van het fysieke leven; in het functioneren van de stofwisseling voelt de bejaarde mens dat hij nog leeft.

                           


Individueel, cultuur- en leeftijdsgebonden temperament : het is niet gemakkelijk om te weten te komen welk temperament bij iemand domineert.

de vier types en de naambetekenis

" Melan-cholè" (Grieks) betekent "zwarte gal". De gewone galafscheiding is geelgroen. " Zwarte gal" wordt zinnebeeldig gebruikt, in de zin van iets dat ons belast, zwaarmoedig maakt. 

Bij de melancholicus valt de zwaarte en de last op, die hij steeds schijnt mee te dragen op zijn levensweg. De slepende gang, zijn naar voren hangende hoofd en schouders, de triestige ogen en vermoeide oogleden geven een droefgeestige aanblik. Dikwijls lijkt het zelfs alsof hij ieder ogenblik in tranen zou kunnen uitbarsten. Eigenlijk begrijpt de melancholicus zelf niet waarom hem de kracht ontbreekt om vrolijk en energiek te zijn zoals de anderen. De energie is nochtans aanwezig, maar hij moet deze aanwenden om de zwaarte van zijn fysieke constitutie te overwinnen; doordat de fysieke organen moeilijk de geestelijke levenskrachten en impulsen tot zich laten doordringen, blijven zij meer onderhevig aan de zwaarte van de aarde. Het is zoals men zich voelt bij het ouder worden, hoe het steeds maar lastiger wordt om zich actief bezig te houden. Men hoeft echter helemaal niet oud te zijn om melancholisch te worden, want reeds vanaf de puberteit komt het temperament tot zijn volle ontwikkeling en dit draagt men mee tot het einde van het fysieke leven.

De jonge melancholicus ervaart vlug dat zijn lichaam wat betreft soepelheid en energiekracht niet naar behoren functioneert. Dit hoeft zich niet zozeer in allerlei lichamelijke ongemakken te uiten, maar men voelt het meer- meestal onbewust- in de fijnere werking van ademhaling, bloedsomloop en spijsvertering. Hij moet derhalve zoveel krachten besteden aan het te boven komen van zijn fysieke lichaam dat er nauwelijks energie overblijft om zich te laten gelden in de buitenwereld. En aangezien dit laatste tegenwoordig vooral van belang blijkt te zijn, heeft de melancholicus het waarlijk hard te verduren. Zijn bestemming ligt echter niet in het streven naar uiterlijk succes. Veel meer dan andere types wordt hij aangetrokken tot situaties waarin lijden heerst, omdat hij hierin de aard van zijn eigen natuur herkent. En daarin ligt zijn ware bestemming: mede te lijden met de anderen en hierin de kracht te vinden om het lijden van de medemens te verlichten.


" Flegma"(Grieks) is slijm. Slijm wordt afgescheiden door de klieren (bvb. de speekselklieren) en is van belang voor de werking van de spijsvertering en de stofwisseling. 

De flegmaticus voelt zich pas goed in zijn element wanneer hij kan opgaan in de werking van zijn spijsvertering en stofwisseling, en daarom heeft hij een voorliefde voor eten en drinken. Doorgaans is hij weldoorvoed. De overvloedige vochtafscheiding, veroorzaakt door de klierwerking, bewerkt dat de lichaamsvormen de neiging hebben om gemakkelijk uit te zetten. Zijn lichaam wil in het vloeibare blijven en verzet zich tegen iedere vorm van vast worden. Let er maar eens op hoeveel nagelbijters voorkomen onder de flegmatici: onbewust kunnen zij niet verdragen dat er vaste substantie aan hun lichaam wordt gevormd.

Door de behaaglijkheid die hij ondervindt in de innerlijke werking van zijn stofwisseling, zal de flegmaticus niet vlug tot actie overgaan; in feite wil hij het liefst van al niet gestoord worden. Ik wil hem niet vergelijken met een koe, maar iets in het volgende beeld is toch op hem van toepassing: men moet weten dat bij de koe de stofwisseling tot in de hoogste graad is doorgedreven, zij doet niets anders dan grazen en herkauwen. Men kan zich voorstellen dat een koe die rustig in de wei ligt te herkauwen, ineens de kop opricht bij het horen van een vreemd geluid en zich verwonderd schijnt af te vragen: waarom richt ik nu mijn kop op, die dient toch alleen maar om te grazen en te herkauwen?

Hierin ligt iets van het gevaar dat de flegmaticus bedreigt: als hij te zeer opgaat in het vegeterende element verliest hij alle belangstelling voor wat rondom hem is, en tenslotte wordt hij stompzinnig. Wellicht zal de tegenwoordige tijd met zijn onophoudelijke toevoer van beelden en indrukken hem hiervoor behoeden.

In tegenstelling tot de melancholicus die het ritme van de moderne tijd niet kán volgen, wíl de flegmaticus dit niet volgen: op gezette tijden trekt hij zich terug uit de buitenwereld en sluit hij zich op- tegenwoordig heet dit "cocooning"- in de gezelligheid van de huiselijke sfeer. Of hij zoekt de natuur op, want daarvan is hij een groot liefhebber: in het aanschouwen van het plantenrijk beleeft hij immers het groeiende en gedijende, het wezen van zijn eigen aard.

Het verband tussen "sanguis"(Latijn), dat bloed betekent, en het sanguinisch temperament dat in nauwe verbinding staat met lucht en ademhaling, is een beetje moeilijker te pakken.

De sanguïnicus is uiterlijk een afspiegeling van wat hij innerlijk is: licht en beweeglijk. Vooral aan de ogen is hij zeer herkenbaar. Deze hebben een blauwe of groene kleur en een zeer klare, open blik. Doordat het driftmatige zijn zieleleven niet bezwaart, kan de sanguïnicus vrij de wereld in schouwen en ontvankelijk zijn voor alles wat rondom hem gebeurt. Hij merkt alles op en zijn gedachtegang is snel, maar daardoor ook vatbaar voor oppervlakkigheid.

Dikwijls heeft hij de gewoonte om te fluiten, te neuriën of te zingen. Zijn innerlijke impulsen zijn immers nauw verwant met de tonen der muziek: beide worden door de lucht gedragen, en beide lossen even vlug op als zij ontstaan zijn. De sanguinische aard is zeer in trek in onze tijd. Wie modern wil zijn- en de allermeeste willen dat- moet sanguinisch zijn. Kalmte en bezadigdheid worden als ouderwets ervaren; waar het op aankomt is om zoveel mogelijk te praten en woorden en zinnen aan elkaar te rijgen, om van hier naar daar te lopen en om zoveel mogelijk drukte te maken. Men denkt dat het zo hoort, en niet zelden is men vol eigendunk over zijn prestatie terwijl men slechts open deuren intrapt.

De echte sanguïnicus kan in deze nerveuze levenswijze volop zijn temperament uitleven. De niet -sanguïnicus echter verloochent zijn eigen aard wanneer hij zich laat meeslepen door deze moderne cultuurverschijnselen. Het innerlijke zieleleven wordt verdrongen door de indrukken die van buiten komen en vindt geen voedingsbodem meer, en zo wordt men ongedurig, nerveus en tenslotte neurotisch.

De cholericus: Twee houdingen zijn bijzonder karakteristiek voor de cholericus: de ene waarbij hij trots en zelfbewust de borst vooruit steekt en het hoofd naar achteren werpt. De andere, met voorovergebogen hoofd en romp, de houding van een stier die op het punt staat tot de aanval over te gaan, verraadt een agressief karakter. Zijn priemende ogen zijn even opvallend als de flitsende ogen van de sanguïnicus. In deze-meestal donkere- ogen wordt het innerlijke vuur van de persoonlijkheid naar buiten gestuwd.

In de wil komt het hoogste geestelijke wezensdeel van de mens, het Ik, tot uitdrukking. De wil zet de mens ertoe aan een afdruk van zijn persoonlijkheid in de wereld neer te zetten. Dit impliceert dat cholerische mensen in staat zijn hun wil op te dringen aan hun omgeving, zelfs aan een ganse samenleving. In de regel vindt men een uitgesproken cholerische aanleg bij politie (k) en legeraanvoerders. Zo was dit het geval bij Napoleon. Zijn cholerische aard stuwde hem naar het toppunt van macht, maar ook naar de ondergang.

Wanneer het cholerische temperament niet in bedwang gehouden wordt, leidt dit allicht tot egoïsme en machtswellust, en daaraan is Napoleon ten onder gegaan. Een andere cholericus was Beethoven. Ook hij liet zich door niets of niemand onderwerpen, maar door middel van zijn muziek vormde hij zijn temperament om tot morele kracht en liefde voor de waarheid.

Met dank aan Jan Vermeir en Karen M. Hamaker-Zondag

Temperamenten willen geen stigma, etiket zijn maar een mogelijkheid om mee te werken en daarvoor de wil in te zetten. De vier temperamenten zijn bij Steiner gekoppeld aan het 4-ledig mensbeeld.

0-7 jaar: nabootsing (willen): fysieke lichaam
7-14 jaar: voelen stimuleren via onthouden, leren en denken: etherisch lichaam
14-21 jaar: oordeelsvorming (bovenbouw) Astraal lichaam
21 jaar: ontwikkeling van het ik.


Geen opmerkingen: