27-11-2010

De elementen als hulp bij het waarnemen

Eén van de vele manieren van kijken is die volgens de vier elementen. Een indeling van de natuur die al in de Griekse tijd werd gebruikt.


De vier elementen aarde, water, lucht en warmte laten vier verschillende kenmerken zien van de dingen om je heen. Ze maken je er opmerkzaam op dat je de wereld op verschillende manieren kunt waarnemen, namelijk als vaste vorm, als stroming, als karakteristiek en als impuls. In dit gedicht wat ik vond van Rudolf Steiner werd het zo verwoord:

Zie, mijn oog,
de zuivere stralen van de zon
Lichtend uit de vormenwereld van de aarde;

Zie, mijn hart,
de geestelijke krachten van de zon
Opwellend uit de golfslag van het water

Zie, mijn ziel,
De wil, de wereld aldoordringende, der zon
Fonkelend uit de flonkerglans der luchten

Zie, mijn geest,
het goddelijke wezen van de zon
Opvlammend uit de liefdegloed die uitstroomt van het vuur.

(Rudolf Steiner)




Aarde

Aarde is alles dat vast is, een vaste vorm heeft. De dode voorwerpen en de levende organismen uit de natuur en de voorwerpen die zijn gemaakt behoren allemaal tot het vaste element. Rotsen, stenen, de bodem, ijs, planten, bomen, dieren, mensen, auto's, machines, huizen, boeken, etc behoren tot het aarde-element.

Wat zijn de eigenschappen?
Ze hebben een vaste vorm. Je kunt ze vastpakken.
Ze hebben een duidelijke grens. Je stoot er tegen aan en je kunt niet door de voorwerpen heen gaan.
Je kunt er niet inkijken. Je kijkt er tegenaan, met je zintuigen stoot je tegen een grens. En omdat je er niet in kunt kijken, blijft de binnenkant verborgen. Ook als je een vast voorwerp open maakt, kijk je toch weer tegen een (nieuwe) buitenkant aan.

Begrippen die bij het aarde-element horen zijn vastheid, afgrenzing en ondoordringbaarheid.

Doordat je tegen de voorwerpen van het aarde-element aanstoot (letterlijk en figuurlijk), word je je ervan bewust dat er iets anders bestaat dan jezelf. Je wordt wakker en er ontstaat bewustzijn van die voorwerpen en ook van jezelf.

Water

Het element water omvat alles dat stroomt, dus alle vloeistoffen, niet alleen water en water alleen als het vloeibaar is. IJs en stoom vallen er niet onder. Een beek of een meer is geen vast voorwerp zoals een boom of een tafel dat is. Je kunt ze niet vastpakken, het water stroomt en je kunt in het water kijken.

Eigenschappen
Water en vloeistoffen stromen, er is beweging, er zijn wervelingen.
Water bevindt zich binnen een bedding, binnen de vorm van het vaste element.
Water is doordringbaar, er is zowel fysiek als voor de zintuigen nog wel een grens, maar die kun je doorbreken.
Je kunt je in het water bevinden, er is dus geen binnen dat verborgen blijft.

Het water-element wordt gekarakteriseerd door de begrippen stroming en beweging en doordringbaarheid.

Je kunt water ook beschouwen als een vast voorwerp. In een plas staat het water stil. De waterspiegel vormt een grens. In het Nederlandse polderwater kun je niet kijken, daar stoten je zintuigen dus ook tegen een grens aan. Aan de andere kant zijn er ook vaste voorwerpen, die vervormbaar zijn of waar je doorheen kunt kijken.

Een zekere overeenkomst is er dus wel, maar in plaats van naar de overeenkomst te kijken, lukt het beter om te karakteriseren als je naar de verschillen kijkt. Dan zie je dat de eigenschappen die voor het aarde-element gelden voor het water-element niet opgaan. Je stoot er niet tegenaan, je kunt door het water heen gaan en de zintuigen kunnen door de waterspiegel heen kijken. Ook in een plas neemt het water de vorm aan die wordt bepaald door de bedding. Het polderwater is troebel door vaste deeltjes die in het water zweven.

Lucht

Lucht is het element, dat alles omringt. Je bent helemaal door lucht omgeven en je kunt je erin bewegen. Als je een stap zet gaat de lucht moeiteloos opzij en sluit zich weer achter je. Lucht verschilt van vaste element en het water-element, waar je tegenover staat en kunt waarnemen.

Lucht stroomt naar alle kanten weg. Er zijn geen ophopingen, zoals bij vaste stoffen en vloeistoffen, de samenstelling is overal gelijk. Je neemt het alleen indirect waar, onder andere aan de beweging van bladeren, opwaaiend papier en schuimkoppen op het water of je voelt de wind langs je gezicht strijken. Door de lucht heen zie je voorwerpen zoals ze zijn. Lucht vervormt voorwerpen niet. Door de lucht zijn er het blauw van de hemel en het rood van zonsopkomst en –ondergang zichtbaar.

Eigenschappen
Het maakt plaats voor het andere, gaat opzij.
Het stroomt naar alle kanten weg.
Het is zelf het niet zichtbaar en maakt heldere waarnemingen mogelijk.
Het maakt de kleuren van de hemel zichtbaar.

Lucht kan worden gekarakteriseerd met de begrippen onbaatzuchtigheid (gaat opzij, is zelf niet zichtbaar, maakt het andere zichtbaar, maakt kleuren van de hemel zichtbaar) en wegstromen.

Evenals water eigenschappen heeft van het vaste element, heeft lucht eigenschappen van water. Het stroomt namelijk. Maar waar water zwaar is, zich in een bedding laat vasthouden en bij elkaar blijft, stroomt lucht naar alle kanten weg.

Warmte

Warmte neem je waar doordat je warmte en kou voelt. Je voelt de temperatuur van voorwerpen altijd in relatie tot je eigen temperatuur en die van de omgeving. Warmte neem je dus relatief waar. Je kunt je voor warmte niet afsluiten, het dringt in je lichaam door.

Behalve de 'gewone' warmte, is er de warmte die uit het niets in jezelf kan ontstaan, bijvoorbeeld als je ergens enthousiast voor wordt, warm voor loopt, als iets je raakt, of als je gaat blozen. Je wordt actief. Ook koude kan zo ontstaan, bijvoorbeeld als je zenuwachtig wordt, je je in jezelf terugtrekt of afstand schept. Ook voor deze warmte en kou kun je je niet afsluiten, ze doortrekken je.

Ook ervaar je de warmte en kou die als stemming door anderen worden verspreid, zoals door enthousiasme of kille gedachten.

Eigenschappen
Warmte doordringt je onmiddellijk helemaal, dit geldt voor fysieke, persoonlijke en 'sociale' warmte. Warmte is grenzeloos.
Warmte kan in jezelf vanuit het niets ontstaan.

Van aarde via water naar lucht werd de stof al steeds ijler, bij warmte is de stoffelijkheid verdwenen, je voelt het alleen nog maar. Alleen aan de lucht kun je warmte, en dan nog indirect, waarnemen, bijvoorbeeld aan de luchtwervelingen op een warme dag of aan de wittige adem op een koude winterdag.

Warmte is het element dat alles doordringt en dat impulsen geeft (bijvoorbeeld om actief te worden). Door warmte ontstaat er innerlijke en uiterlijke activiteit.
Warmte kan worden gekarakteriseerd met de begrippen doordringing, grenzeloosheid en impulsering.

Hoe neem jij waar?

Aan de hand van de vier elementen kun je waarnemen hoe jij kijkt, neem b.v. een hond. Een hond kun je als vorm exact beschrijven (= aarde-element), je kunt ook de bewegingen beschrijven, nabootsen en ervaren (= water-element), je kunt hem karakteriseren (= lucht-element) en je kunt beschrijven wat hij bij jou oproept (= warmte-element). De elementen zijn dan een ingang voor vier verschillende houdingen of manieren om waar te nemen.

Vaak neem je waar volgens (delen van) de vier waarnemingshoudingen, maar ben je je dat niet bewust. Wanneer je met de methode oefent zal blijken dat je soms een bepaalde zienswijze vaak of juist niet gebruikt of alleen een aspect ervan. Het onderscheiden van de waarnemingswijzen, het benoemen en indelen van waarnemingen naar één van de waarnemingswijzen kan dan helpen lacunes op te sporen en evenwicht te scheppen in het waarnemen.

De methode is bruikbaar bij levende voorwerpen, situaties en gebeurtenissen. Waar wordt gesproken van een object of een voorwerp kun je ook een situatie of gebeurtenis nemen.


Als je jezelf wilt leren kennen,
zoek dan in de wijdten van de wereld;
als je de wereld wilt doorgronden,
dring dan door in de eigen diepten.

Rudolf Steiner (via Tom van Gelder). 

Geen opmerkingen: